Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

maakt bij dat consent; algemeene regels zijn er niet voor te geven *).

Vertegenwoordigd werd de pastorieën, vermogensrechtelijk, door wie ze beheerden; zij sloten alle contracten etc., de predikanten hadden recht van MK&spreken in beheersaangelegenheden, gelijk zij het ook wel ten opzichte der kerkegoedederen hadden -); dit alles, evenals bij de kerkegoederen, behoudens de goedkeuring, voorafgaande of volgende, van de Staten of hunne Gedeputeerden. Enkele voorbeelden mogen dit aantoonen. 't Beheer der pastoriegoederen, in engen zin genomen als het verrichten der het beheer betreffende rechtshandelingen , buiten het ontvangen der inkomsten, werd veelal niet door den ontvanger der Geben. goederen, althans niet door hem alleen, uitgeoefend, gelijk ons reeds de regeling van li December 1589 heeft geleerd3).

Den 1 ^den Oct. 1608 verkochten de deken van Oudemunster, Willem van Renesse, „collator ende patroon der cure ofte pastorye des heerlickheyts van Jaersfelt", en het kapittel van Oudemunster, dezen verkoop agreëerende, den „vryen eygendom" van anderhalf morgen land in Lopik gelegen aan de genoemde pastorie behoorende („tot dselve pastoorye behoor rende", stond in het request om agreatie), zich verbindende tot transport ervan, aan Johan van den Bongaert; „des hebben vvy deecken ende capittele belooft ende beloven mits desen voor ons ende onse nacomelingen den voorn. Johan vanden Bongaert, sijne erffgenamen ende nacomelingen ofte trecht van hemluyden vercrijgende, dvoorss. anderhalff mergen lants te vryen ende te waren als erffcoop recht is naden rechten ende gewoonten vanden Lande, waer voor wy verbonden hebben ende verbijnden mits desen alle dselve pastorye- mitsgaders

1) Schoot er niets over, dan was het pastoriebezit niet gewild. Vandaar de afstand van de pastorie door het Gerecht van Nederhorst (p. 4S1). Zoo werd ook door den Heer en het Gerecht van Langerak aan de Staten verzocht, dat zij de bezoldiging van den predikant aldaar te hunnen laste wilden nemen, met de pastorie, wier inkomsten niet meer dan goed f 11 bedroegen; de Gedep. Staten beschikten er goedgunstig op, Oct. 1612. Cf. de rek. over 161S, ff. 144 vo. sq.

2) Cf. pp. 386 en 471.

3) Cf. p. 471.

Sluiten