Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Het besluit der Gedep. Staten was van dezen inhoud: „consenteren inde losse ende wederbelegginge der penningen , „ten overstaen van Symon Claess. van lilanckendael, rentmeester vande Gebeneficieerde goederen", die gemachtigd werd de oude rentebrieven te restitueeren en te doen royeeren, en nieuwe „tot verseeckertheyt van de pastorye" te ontvangen 1).

I) Reg. no. 59. Memoriaal etc. ff. 179 sqq. Cf. nog het besluit der Gedep. Staten van 29 Oct. 1612, houdende approbatie van den aankoop van een huis en hofstede achter de kerk te Westbroek d.d. 16 Oct. 1612 door de gecommitteerden en den rentmr. der Geben. goederen, „npt rapport ende welbehagen" der Gedeputeerden „ten behouve vande pastorye inde Westbrouck" gedaan. De kooppenningen had de gemelde rentmr. voor de helft betaald — „soe de voorss. pastorye tot betaelinge der voorss. huysinge egeen penningen in voorraet is hebbende uit gelden, die gekomen waren van den verkoop van land in Vleuten, „behoort hebbende aen een vicarye gefundeert op St. Jans aultaer in St. Jacobskercke binnen Utrecht" — aan de gerechtigden tot deze vicarie had hij beloofd hun de interessen van dat geld te zullen betalen —; hij verzocht daarom aan de Gedep. Staten, dat hij aan die gerechtigden een rentebrief daarvoor mocht ter hand stellen. Op dit verzoek beschikten zij den I3den Jan. 1613: de rentmr. werd gemachtigd „tot laste vande voorss. pastorye" een rentebrief te passeeren „tot behouff der geenre, die tottet incommen der voorss. vicarye gerechticht sijn". Reg. no. 59. Tweede mem. etc. ff. 23 vo. sqq.,

hun besluit van 12 Apr. 1627, waarbij geapprobeerd werd de verkoop van zeven morgen land, „soo groot ende kleyn d'selve aende pastorye tot Cockengen behooren", door de gecommitteerden en den rentmr. der Geben. goederen met belofte ze „op het incommen der voorss. pastoryegoederen te vryen ende waren als erffcooprecht". De kooper, Jhr. J. van Zuylen, had aan de Gedeputeerden verzocht bij den verkoop der landen de voorkeur te hebben, omdat hij „met deselffde achtervolgende zijne leenbrieven — in den leenbrief van 4 Juni 1603 was hij door de Staten o. a. „verlijt ende beleent" met het gerecht van Kockengen met de thinsen en tienden, „metter gifte vander kereke tot Cockengen mitten lande daer die kereke op staet ende mit allen heuren toebehooren" — met de gifte vande kereke van Cockengen, de landen daer de kereke op staet ende allen haren toebehooren is verlijt, gelijx oock altijt geweest sijn de predecesseuren van sijn E."; op welk verzoek den 2den Dec. 1625 door de Gedeputeerden gunstig was beschikt, doordat de gecommitteerden en de rentmr. der Geben. goederen gemachtigd waren met den requestrant in onderhandeling te treden. Reg. no. 59. Derde

mem. etc. ff. 34 vo. sqq.,

hun besluit van II Mrt. 1631 betreffende de pastorie van Abcoude; den l6den Oct. 1610 was door den rentmr. der Geben. goederen, door de Gedep. Staten daartoe gemachtigd (27 Sept. 1610), land „toebehorende de pastorye tot Abkoude", waarnaast o. a. „de fabrijeque der kereke van Abkoude" land had liggen. „in eenen eeuwigen versuymelijcken erffpacht gegeven ende verleent", welks canon betaald

Sluiten