Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Provincie vervangen door twaalf nieuwe, wier interessen in een afzonderlijk hoofdstuk (Rekening over 1781 : „Agtste Ontfang van Renten van Obligatien op de Provincie van Utrecht", ff. 23 v°. sqq.) verantwoord werden 1). In 1781 werden onder de verschillende pastorieën nog slechts de overige posten, en die waren weinige, ontvangen : Amerongen, Lopik en Harmeien, elk de zoo juist gemelde ƒ. 300; en verder eenige tienden etc. In de rekening over 1798 compareerden de erfpachten en uitgangen, op enkele uitzonderingen na, ook niet meer, daar de aflossing ervan was bevolen (hierover echter later); zoodat bij de opheffing van het kantoor der Geben. goederen het kapitaal der pastorieën, behalve uit aandeelen in de twaalf obligaties op de Provincie, slechts bestond uit eenige tienden (Neerlangbroek, Doorn, Cothen, Werkhoven, Schalkwijk, Hagestein, Leusden en Vleuten), en de aflossingsgelden der erfpachten en uitgangen. De pastorieën, wier onroerende goederen buiten de administratie van den rentmeester der Geben. goederen waren gebleven of gekomen, bleven natuurlijk in statu quo.

Het meegedeelde rechtvaardigt de volgende slotsom: evenals de kerken of kerkfabrieken waren de pastorale beneficiën zelfstandige lichamen of rechtspersonen; zij en niet eenige kerk (algemeene of plaatselijke), waren de eigenaars der pastoriegoederen, die in rechtens relevanten zin door of ten gevolge der Reformatie aan niemand waren ontnomen en aan niemand waren geschonken; door de Reformatie waren zij niet opgeheven maar enkel gereformeerd; hun bestemming bleef, te strekken tot het onderhoud der parochiale herders en leeraars; wie herders en leeraars der Christelijke leer waren, werd vóór en na de Reformatie verschillend beoordeeld.

Hoe weinig de Staten afwisten van een tenietgaan der oude

1) Cf. Hoofdst. VI. § 2. Reeds vóór 1779 waren de gelden der verschillende pastorieën niet uit elkaar gehouden, hetgeen, daar toch alle ontvangsten en uitgaven in één hand waren en de predikanten toch hetzelfde tractenient kregen, geen kwaad kon en voor de hand lag, als pastorieland verkocht werd en de gelden op de Provincie werden belegd. Zoo hadden dan verschillende pastorieën deel in een obligatie, wier interessen geboekt werden onder de ontvangsten van één van haar. Cf. bv. de rek. over 1740, pp. 1 en 3, betreffende de pastorieën van Leersum en Neerlangbroek.

Sluiten