Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

en een stichten van nieuwe kerken, en hoe weinig er door de Reformatie rechtstreeks in het kerkelijke vermogensrecht is ingegrepen, moge, behalve uit al het reeds vermelde, nog blijken uit de volgende feiten, die te teekenend zijn dan dat ik ze niet zou bijbrengen.

De St. Paulusabdij had de collatie van de pastorie van Ophemert, en was gehouden den pastoor zijn congrue portie te betalen. Ze zal dus indertijd geïncorporeerd zijn geweest bij de abdij; doch hoe dit zij, of de verplichting tot onderhoud van den predikant deze of een andere oorzaak had, de verplichting zelve stond vast.

Nu was de zorg voor de predikantenbezoldiging in de Tieleren Bommelerwaarden opgedragen aan den Ambtman en de Ridderschap, tot wier gebied deze waarden behoorden, als „directeurs van de geestelijcke goederen in den Bommelerweerdt", of gecommitteerden „totte directie vande geestelijcke goederen in Thielre ende Bommelreweerde".

Dit college eischte van de Staten van Utrecht, „als'tbewint hebbende vande Abdie van St. Pauls aldaer ende mitsdien sijnde collatores der pastoryen tot Ophemert", dat zij aan de verplichting der abdij tot het betalen van congrue portie zouden voldoen en bijdragen tot het onderhoud van een „pastoor ende kerekendienaer", en dat de Staten volgens den voorslag van het Hof van 23 Sept. 1624 zouden „gelieve ordre te stellen, dat den rentmeester vande geestelicke goederen alhier vande somme aldaer verdraegen metten eersten betaelt mach werden" !).

De Utrechtsche Staten, die weigerden, waren daarom eerst voor het Gerecht van Tuyl, en daarna „by renvoy" voor het Hof van Gelderland betrokken; tot welk Hof de ingezetenen van Ophemert zich wendden met het verzoek, dat het te dezer zake een accoord zou treffen tusschen de 'beide partijen, de

1) Cf. zijn missive aan de Staten van Utr. d.d. i Dec. 1629. Hierin werd in herinnering gebracht, dat het Hof van Gelderl., op verzoek van de ingezetenen van Ophemert reeds in 1613 (30 Juni en 15 Dec.) de Staten van Utr. had vermaand, minstens f. 200 uit te keeren tot het onderhoud van den predikant aldaar, „in te gaen vanden tijt datse met eenen goeden pastoir souden sijn versien".

Sluiten