Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

de proostdye van Oudemunster", en den rentmeester van St. Paulus ter eene en de predikanten van Driel en van Brakel, „gedeputeerde des Classis van Tielre- ende Bommelreweerden ende tot het naebeschrevcn gemachticht ter andere zijde, en wel „tot voorkominge van excessive costen ende moeyelijckheden jaerlijcx vallende over tdoen vande liquidatie vande congrue portie der predicanten van Tielre- ende Bommelreweerden in gevolge vande provinciale accoorden den ioen Januarij 1656 ende iien Novembris 1658 met den anderen inder minne ende vrintschap veraccordeert".

Bepaald werd, dat „die Heren vanden Dom, St. Jan, St. Marien, proostdye tOudemunster ende Abdye van St. Pauls in plaats van de congrue portie jaarlijks de som van ƒ. 1500 zouden betalen „aen sodanichen persoon als de gemelte Classe daer toe authoriseren ende quitantie van betalinge passeren sal"; alleen in geval van „open oorloge, open waede [dijkbreuk] ende andere ongevallen' zou dit bedrag verminderd mogen worden, terwijl vermeerdering in elk geval werd uitgesloten.

Ze werd overigens getroffen onder de voorwaarde, dat de Geldersche en de Utrechtsche Staten ze zouden goedkeuren. In een bijgevoegden staat, d.d. 11 Dec. 1661, werd het aandeel van elk vastgesteld: de Dom, f. 280; de proosdij van Oudemunster, ƒ. 304; St. Jan, ƒ. 331; St. Marie, ƒ. 390; en St. Paulus, ƒ. 195; tevens stond er in gespecificeerd, welk bedrag voorheen door hen betaald werd uit de tienden, die zij in elk dorp hadden: Wadenooien, Herwaarden; Driel, Oppijnen, Waardenburg en Neerijnen; Geldermalsen, Deil, Rumpt, Meteren, Kessel, Varik; Ophemert!).

I) Reg. no. 59- Zevende mem. etc. ff. 932 vo. sqq. De ontvanger der Geben. goederen was door de kerkmrs. van Driel gedagvaard voor de Schepenbank van Driel, om bij te dragen tot de herstelling van de kerk aldaar, „ten opsichte van dat de proostdie van Oudemunster hare thienden onder desselfs kerspel heeft leggen , „als officiaell vanden Heere Proost van Oudemunster". De zaak was, dat de proosdij van Oudmunster tijdelijk beheerd en genoten werd door den ontvanger der Geben. goederen; prelatuurschappen en andere benefices werden nl. soms gedurende zekeren tijd niet begeven — men sprak dan van een termijn van carentie (later meer hierover) — maar door de Provincie zelve beheerd en genoten. De

Sluiten