Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

„Paeusdom" waren, golden er ook nog, n.1. omtrent de aanstelling van den herder en lecraar; voorzoover ze althans niet geacht werden linea recta tegen de H. Schrift in te gaan. Men dient hier te onderscheiden tusschen de pastoorsbenoeming langs den hiërarchischen weg en die krachtens patroonaatrecht. De eerste verviel ten gevolge der Reformatie, omdat de hiërarchische autoriteiten zelve verdwenen. De tweede was een voorwerp van strijd en is het nog; ze is echter tot den huidigen dag in wezen gebleven.

Zoo hield de Domproost-Aartsdiaken zijne vermogensrechten over, terwijl zijne hiërarchische, kerkelijke rechten en plichten vervielen; de pastoors der vier Utrechtsche parochiën werden eertijds door hem aangesteld: als Domproost confereerde hij de vier stedelijke pastorieën en presenteerde hij de pastoors aan zichzelven in zijn hoedanigheid van Aartsdiaken, waarna hij hen in deze laatste qualiteit admitteerde of institueerde; ten gevolge der Reformatie verloor hij zijn recht van institutie, maar niet zijn recht van collatie en presentatie.

Toch werden de stedelijke predikanten later niet door hem, maar door den kerkeraad of door den Raad benoemd. Waarom? Men zou wellicht willen antwoorden: wel, omdat de R. K. parochiën er niet meer waren, en er een nieuwe kerk was gesticht, de Nederduitsche Gereformeerde; en omgekeerd, zou men dit laatste kunnen betogen met een beroep op de veranderde beno.emingswijze. Toch ware dit geheel onjuist. Vooreerst herinner ik er aan, dat de Jacobsparochie tot in 1586 als kerkelijk lichaam is blijven bestaan en dat hare pastoors of predikanten door de geburen der parochie sedert hare reformatie werden benoemd, onder approbatie van den Raad. Hier blijkt het derhalve, dat er een andere verklaring gezocht moet worden dan de vulgaire, dat de R. K. Kerk vervangen was door een nieuwe, de Nederduitsche Hervormde. En in de tweede plaats zij opgemerkt, dat de Kapittelen en hunne prelaten in vele parochiën ten platten lande de aanstelling van den herder en leeraar behouden hebben.

De reden, dat de Domproost-Aartsdiaken zijn recht om de pastoors in de Stad Utrecht aan te stellen verloor, lag niet in het feit, dat er geene „pastoors" meer waren in den juri-

Sluiten