Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

In 1590 gingen zij zelfs nog verder; den 30sten Jan. werd aan de Stedelijke Magistraten hetzelfde recht verleend in de Steden, dat ten platten lande den collators competeerde, om n.1. predikanten „aen te nemen ende oock afïf te dancken"; want, zeiden de Staten, het is „in reeden gefundeert", „dat die Magistraten, die de predicanten binnen haere Steden moeten loenen, gelijcke macht sullen hebben *).

De Staten drukten zich hier onjuist uit; want een collator had wel het recht een predikant te benoemen, maar niet hein te ontslaan; in elk geval echter kenden zij hier aan de Stedelijke Magistraten het recht toe ook tot dit laatste. De argumenteering was eigenaardig; de Staten verklaarden het kortweg voor rationeel, dat wie betaalde ook had te benoemen en te ontslaan, gelijk van kerkelijke zijde het stelsel, dat de predikantsbenoeming den kerken toekwam, kortweg voor het de kerk iure suo eigen zijnde verklaard werd.

des Woorts Gods ende alle goede oordeninge der kereken, die oyt gebruyet zijn ende noch gebruyet worden, ende namentlijck tegen die kerekoordeninge deser landen, het verleden jaer inden Hage gesloten, by sijne Excellencie geconfirmeert ende by mijn Heercn Staten van Utrecht selver geapprobeert, te weeten (behalven het misbruyek vant jus patronatus, twelck by dese resolutie alsnoch blijft in zijne pausselijcke gerechtichheyt) int geene dat de presentatie aende [lees: vande] patronen geschyet aende Staten ende nyet aende Classis ofte vergaderinge der dienaren, item dexaminatie by alsulcke ministers van dese provintie geschieden soude als die Staten daertoe souden beroepen, ende daernae die sendinge ende confirmatie gestelt wert by den Staten, jae oick byde patronen simpelijck met vuytsluytinge des Classis, soo doch in alle gevalle die presentatie by de patronen directelijck behoorde te geschieden aende Classen, als dyen dit werek eygentlijck aengaet ende competeert", etc.; in één woord, deze resolutie was „een usurpatie van de Overheid over de kerk Gods". De Staten persisteerden echter bij de resolutie van 22 Apr. 1.1. Keg. v. d. beschr. d. St. Beschr. v. 26 Juli 1587.

1) Reg. v. d. besch. d. St. Beschr. v. 27 Jan. 1590.

Aldus werd het in deliberatie genomen; de f'.eëligeerden en de Stad Utrecht oordeelden, dat aan de Stedelijke overheden die macht toekwam; de Ridderschap

was van hetzelfde gevoelen.

Nogmaals werd op denzelfden dag de „destitutie" der predikanten in beraadslaging genomen, en werd door de Ridderschap en de Stad verklaard, „dat die Magistraten die mogen destitueren, oock sonder eenige verclaringe van reeden te

doen"; het iste Lid zweeg.

De beide besluiten van 22 Apr. 1587 en 30 Jan. 1590 maakten deel uit van de kerkorde van 1590, door de Staten gearresteerd. Ze is afgedrukt bij Hooijer, O. K. pp. 293 sqej.

Sluiten