Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

„Rccht" was natuurlijk dc regeling, die de Staten en de Magistraten gaven; zooals zij het bepaalden, hetzij in het algemeen hetzij in het bijzonder, was het geldend recht, zij het dat zij hun bekrachtiging verleenden aan besluiten van de kerken zelve, zij het, dat zij zonder deze, ja tegen haar wil, kerkelijke zaken regelden.

Rechtens konden zij uit den aard der zaak omtrent in een door hen bekrachtigde kerkorde geregelde onderwerpen nadere bepalingen treffen, zoowel aanvullend als opheffend of wijzigend; zij konden zich dan wel schuldig maken aan „usurpatie over de kerk Gods", maar „onrecht" deden zij niet; wat zij deden was „recht".

In het algemeen hebben de Staten en de Magistraten niet doorgevoerd wat de Staten in 1590 „in rede gefundeert" noemden; zij hebben zich veelal bepaald tot committeering en goedkeuring der door de kerken beroepen en hun gepresenteerde predikanten x); slechts als er eenige bijzondere aanleiding toe bestond, benoemden en ontsloegen zij hen.

De Utrechtsche Raad achtte hiertoe geen machtiging van de Staten noodig; hij trad op uit eigen hoofde, als Stedelijke Overheid en dus als voedster- en betaalsheer der stedelijke kerken. In de Statenresolutie van 159° kan men dan ook niet meer zien dan de bekrachtiging en de erkenning van Statenwege van een recht, dat dc Raad voor zich steeds had opgeëischt en ook reeds had toegepast in concreto, zonder dat blijkt, dat de Staten oordeelden, dat de Raad hierdoor zich

I) Cf. Hooijer, O. K. pp. 375 sqq. Uit verschillende acten van „commissie" van predikanten, opgenomen in de registers van commissiën en instructiën (cf. bv. het reg. aanv. Jan. 1607, ff. 30, 30 vo., 63 vo., 64, 64 vo., 65, 74, 95, 96, 103 vo., 104, 220 vo., 221 vo.) blijkt, dat de gang van zaken in den regel deze was:

a. „beroup", door den collator of de dorpsautoriteiten (Schout en Schepenen, kerkmrs.) en de parochianen of „ingesetenen".

b. presentatie aan de Gedep. St. of de Stedelijke Magistraten door wie beriepen.

c. examineering door gecommitteerden der Prov. Synode.

d. „commissie" of „aanneming" (soms: „agreatie" of „admissie") door de Ged. St.

e. inleiding in het ambt of „installatie" van wege de Classis.

Cf. ook het reg. v. comm. en instr., aanv. Oct. 1588, f. 378; en reg. no. 59. Vijfde mem. etc. ff. 182 vo. sqq.

Sluiten