Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

bevoegdheden aanmatigde ten nadeele van hun gezag, of dat hij in het algemeen tegen het geldende recht handelde.

Bij de behandeling van den Utrechtschen religievrede is ons reeds gebleken, dat de Raad zich iure suo reserveerde de door de kerken hem gepresenteerde predikanten al of niet tot het prediken toe te laten, en hen eventueel, als zij zich n.1. misdroegen , af te zetten x). Ook de benoeming trok hij somtijds aan zich.

Een voorbeeld van dit alles levert ons het volgende, een nawerking van den wrok, die bij den Raad nog broeide over de door Leicester opgedrongen combinatie der Jacobsparochie met de Consistoriale kerk2). Wel had Ds. Uyttenbogaert3), die na de samensmelting de eerste preek hield in de Jacobskerk, zijn stof geput uit den I33sten Psalm: „siet hoe fijn en lieflik ist dat broeders eendrachtig by malkanderen wonen" etc. 4), doch in de gemoederen der partij der voormalige Jacobskerk daalde de vrede niet; zij wilden hunne oude predikanten, door wie zij in den steek waren gelaten, niet meer hooren, zoodat Ds. Elconius weer naar zijn vaderstad Harlingen vertrok. In 1589 verzochten zij aan den Raad den ouden toestand te herstellen 5). Dit achtte deze echter niet wenschelijk; hij wilde geene twee kerken, zooals Bor meedeelt, maar slechts één; maar deze ééne dan ook gereformeerd niet als de Consistoriale maar als de Jacobskerk; daartoe ontsloeg hij de predikanten en bloc6), en leende er voorloopig uit Hollandsche steden,

1) Cf. vooral p. 223.

2) Cf. Hooijer, O. K. pp. 284 sqq.

3) Van de Consistoriale kerk.

4) Bor, 1. c. XXI. p. 839. Ds. Elconius was de eerste predikant van St. Jacob, die in den Dom preekte.

5) Vroedsch. resol., 21 Nov. 15^9' Cf. Bor, 1. c. XXI. pp. 840 sqq.

6) Het geschiedde dus om zuiver „politijke" redenen, zooals 18 Jan. 1600 dan ook uitdrukkelijk verklaard werd door den Eersten Burgemeester, Dirk Canter, in een acte, die den ontslagen predikanten te hunner rechtvaardiging werd uitgereikt. Bor. 1. c. p. 848. Want het vervangen der consistoriale reformatie door de Duyfhuysiaansche was inderdaad een politieke quaestie. Rechtens deed de Raad niets anders dan wat hij eertijds gedaan had ten bate der Gereformeerden en ten nadeele der Roomschen. Het reformeeren der kerk is, wanneer de Staat een officieele kerk erkent, een politieke zaak.

Sluiten