Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Het officieele karakter der religie was tevens de grond voor de bezoldiging van Staatswege van de kerkelijke ambtsdragers; de Overheid was de voedsterheer der Kerk. De predikanten hadden geen recht op die bezoldiging; dat de Gereformeerde religie de religie van den Staat was, opende voor haar niet alleen de kerkgebouwen maar ook de beurs der Overheid. In de eerste plaats werd uit de geestelijke goederen ten behoeve van de Gereformeerde religie geput en, als deze niet toereikten, tastte de Overheid in eigen zak.

Staatsambtenaren waren de predikanten dus niet, al hadden zij, eenmaal op een bepaald tractement aangesteld, ook recht op de betaling ervan tegenover Stad of Provincie; in dit opzicht stonden zij met ambtenaren gelijk. „De Kerk" had echter geenerlei reclit tegenover den Staat op bezoldiging harer ambtsdragers.

HOOFDSTUK VI.

De vicakieën.

§ i. De vicarie'cn gevestigd in de kerken der Stad Utrecht.

Wezenlijk heeft de Reformatie op de vicarieën denzelfden invloed uitgeoefend als op de pastorieen; het feit echter, dat de kerk na haar hervorming wel pastoors (zij het dan gereformeerde) kende doch aan het vicarisambt geen plaats inruimde, is oorzaak geweest, dat de lotgevallen der vicariegoederen in den loop des tijds andere geworden zijn dan die der pastoralia, dat zij afwisselender zijn geweest dan die der laatstgenoemde, omdat de bestemming der pastoriegoederen ten gevolge der Reformatie nauwelijks veranderd behoefde te worden, terwijl die der vicariegoederen nadere regeling niet ontberen kon !).

i) Een overzicht van deze regeling vindt men in het aangehaalde ac. pr. van Mr. Koker, pp. 18 sqq.

Sluiten