Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

De eerste vicarissen die hun werkkring verloren, waren die der Jacobskerk, in welke de dienst alleen op gereformeerde wijze mocht plaats hebben. De goederen aldaar gefundeerd, strekkende om den dienstdoenden vicarissen presentiegelden uit te keeren, werden bij Raadsbesluit van 13 Apr. 1579 zelfde waarbij ook over de broederschapsgoederen in de Jacobskerk werd beschikt — toegewezen aan de kerkmeesters dier kerk „tot der kercken behoufïf", om uit de inkomsten ervan den predikanten en anderen dienaars der kerk hun bezoldiging te betalen, behoudens hun verplichting, om aan de tegenwoordige vicarissen hun leven lang eenige pensie uit te keeren *).

Evenmin als voor de broederschappen schijnt deze resolutie voor de memoriegoederen te zijn uitgevoerd. Nog den 29^ Dec. van hetzelfde jaar benoemde de Raad een commissie om te vorderen en te ontvangen bij pertinenten inventaris alle goederen met de ertoe behoorende documenten van degenen, die het bewind hadden van de memorien, die men in de Buur-, Jacobs-, Klaas-, Geerte- en Predikheerenkerken placht te houden, op straffe van gijzeling tot aan den last gevolg gegeven was.

Tot den ontvang van de memorien in de Buur- en Jacobskerken werd den I5den Juni 1580 gemachtigd Antonis van Zyll, onder gehoudenheid jaarlijks rekening en verantwoording te doen -). Den nog levenden vicarissen van St. Jacob werd gewaarborgd uit de mcmoriegelden wat zij plachten te ontvangen, terwijl „de kerek van Sint Jacob" (d. w. z. de kerk-

1) Vroedsch. resol.

2) Vroedsch. resol. Cf. de Raadsbesluiten van 1 Juli en 21 Aug. 1579.

Den I5den Juni 1580 werd A. v. Zyll in zijn ambt van kameraar der memorien of vicarieën of presentiën in de Jacobskerk bevestigd; hij bekleedde het reeds vóór 1580.

Memoriestichtingen waren de fondsen, wier inkomsten verdeeld werden onder de geestelijken eener kerk, „ten einde de memorie van overledenen bij de zielmissen te doen vermeld worden of op bepaalde tijden hen te doen herdenken en hunne graven te doen begaan". Prof. de Geer, Rapport etc., p. 12.

Presentiën heetten ze ook wel, omdat de uitkeeringen plaats hadden aan de geestelijken, die aan den dienst deelnamen.

Vicarieën werden ze wel genoemd, omdat de uitkeeringen goeddeels aan de vicarissen geschiedden.

Sluiten