Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Op welken grond was de meewerking der Gedep. Staten in het beschikken over vicariegoed noodig? Was het, omdat de vicariegoederen eigendommen der Provincie waren en dus niet buiten haar, vertegenwoordigd door de Gedep. St., om vervreemd of bezwaard konden worden? Zoo wil Mr. Verloren het1), doch geheel ten onrechte. Niet alleen toch voor de vicarieën, die binnen het kantoor der Geben. goederen vielen, maar voor alle, zoowel voor de kapittelvicarieën der vijf Utrechtsche Godshuizen als voor de stedelijke vicarieën in het algemeen, die deels reeds terstond buiten art. 5 van het Redressement (voor Mr. V. het argument) gesteld waren deels er later buiten gehouden zijn, was de medewerking der Gedep. St. vereischt; hieruit volgt, dat art. 5, dat geen rechtsverklarend karakter had, niet de grond kan zijn voor het algeineene vereischte van het consent der Gedep. Staten.

Met enkele voorbeelden zal ik dit aantoonen, zoowel wat de vicarieën in de kapittel- en parochiekerken en de gasthuizen der Stad Utrecht gevestigd betreft als ten aanzien der vicarieën in de kleine Steden gefundeerd.

Den ioden Febr. 1608 werd land van de vicarie gefundeerd op het altaar van St. Petrus en St. Christoffel in den Dom verkocht door Mr. W. van Cleeff, Jhr. W. Bor van Amerongen, V. Both, Burgemeester van Utrecht, en den rentmeester der Geben. goederen krachtens commissie van de Gedep. Staten d.d. 11 Nov. 1607 en „opt welbehagen" der Staten of hunner Gedeputeerden, „aen ende ten behouve van Jan Jacobss. Huydecoper"; de koopsom zou onder den kooper blijven, die zich verbond er jaarlijks de renten van te zullen betalen „tot behoufïf der voorss. vicarye", waarvoor bij het transport hypotheek gevestigd zou worden. Den ioden Juni 1608 approbeerden de Gedep. Staten dit door de gemelde gecommitteerden gesloten

van den possesseur der vicarie gefundeerd op het St. Jacobsaltaar te Abcoude, om ten overstaan van de gecommitteerden en den rentmr. der Geben. goederen land der vicarie te verkoopen en de kooppenningen te beleggen op hypotheek, onder gehoudenheid de brieven „by de archiven ter behoorlijcker plaetse" te doen bewaren. Reg. no. 59. Tweede mem. etc. ff. 222 sqq.

1) L. c. p. 421.

Sluiten