is toegevoegd aan uw favorieten.

De geestelijke en kerkelijke goederen onder het canonieke, het gereformeerde en het neutrale recht

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Naar het Canonieke recht kwam deze bevoegdheid den Bisschop toe; sedert de Staten dc souvereiniteit aanvaard hadden en zoodoende in de rechten voorheen door den Bisschop uitgeoefend getreden waren, voorzoover de Reformatie ze niet als strijdig met Gods Woord had doen vervallen, oefenden zij ook dit recht uit J). Helder komt dit uit in de t volgende vicariequaestie.

Aan de Staten werd door Joannes Oucoop, „pastoor der kereke tot Mijdrecht", te kennen gevende, dat hij als vader en voogd van zijn zoon Hugo, possesseur eener vicarie op O. L. Vrouwe-altaar in de kerk te Montfoort, een permutatie had aangegegaan met Johannes Allerstius, „pastoor der kereke tot Montfoort", „met believen" van de gecommitteerden van den burggraaf van Montfoort, „als patroon laicael der voorss. kereke tot Montfoort ende op het goedt behagen van UEd. Mog. als representerende den Bisschop", van eenig land „aende voorss. vicarie behoorende", waardoor het inkomen der vicarie vermeerderd werd; waarom hij approbatie ervan verzocht, welke den 3<Jen Mrt. 1635 volgde, met den last, dat „ter meester verseeckeringh" der vicarie en van den possesseur in der tijd het geld belegd werd; de rentmeester der Geben. goederen, Mr. C. Martens, werd tot het transport gemachtigd. Het contract was van 14 Febr. 1635; partijen waren: „Mr. Johannes Allerstius voor hem, sijnen erffgenamen ende naecomelingen aende eene ende Johannes Oucoop als vader en voocht van zijnen minderjarigen soone Hugo Oucoop, tegenwoordige possesseur van een vicarie, die gefundeert is tot onser lieve

in den Engh, kleinzoon van den stichter der vicarie en „de oudste op straet" — approbatie verzocht van de Staten, als „beneficialibus... representerende den Bisschop", om „t'volcomen effect vande voorss. donatie" te mogen genieten.

Reg. no. 59. Zevende mem. etc. ff. 70 vo. sqq.

1) Zeer juist wordt door Profr. de Geer in zijn Rapport etc. op p. 21 deze overgang van recht van den Bisschop op de Stalen als de grond der maatregelen van de Staten aangemerkt: „de R. C. kerk" hield in Utrecht op te bestaan en kon dus over de „stichtingen", „binnen het gebied dier Kerk ontstaan", geen „toezicht" meer uitoefenen en niet meer waken, dat ze „aan haar doel beantwoordden"; de Staten traden nu „in de plaats der R. C. kerk", om zich „zoowel toezicht als bestemming dier stichtingen en harer goederen" aan te trekken.