Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Vooreerst lette men op de formule, die door de Gedep. Staten werd gebruikt. Zij gaven consent, approbatie, ratificatie, agreatie etc., welke terminologie er op duidt, dat de Staten zich van hun eigendomsrecht niet bewust waren, dat zij niet als partij optraden, tenzij natuurlijk een vicarie van wege de Staten beheerd werd, maar toezicht hielden; dit is de beteekenis van agreëeren *).

Ten tweede. Uit het herhaalde verbod om over geestelijke goederen zonder consent van de Staten te beschikken laat zich veeleer afleiden, dat de Staten zich niet als eigenaars beschouwden dan wel. Welk eigenaar toch zal het in de gedachte komen telkens zijnen medeburgers in te scherpen, dat zij toch vooral niet zonder zijn goedvinden zijne goederen vervreemden of bezwaren? Deze man ware monomaan of zijnen medeburgers faalde het aan de meest elementaire kennis omtrent het mijn en dijn. Noch het een noch het ander valt in casu aan te nemen.

Ten derde: in de beschikkingshandelingen waren het niet de Staten, die als partij optraden, maar öf de collators öf de possesseurs of beiden tegelijk, als vertegenwoordigers der vicarie; soms was de rentmeester der Geben. goederen de handelende partij, doch ook q.q., als representant der vicarie.

Dit werd dan ook constant uitgedrukt met de woorden „ten behoeve van". De vicarie zelve kon natuurlijk niet feitelijk handelen ; de handelingen geschiedden, gelijk altijd voor onlichamelijke personen, door anderen voor haar. Juist in dit „ten behoeve van" ligt een bewijs voor de rechtspersoonlijkheid der vicarieën: het recht, ten behoeve van de vicarie of haar possesseur gevestigd, had de vicarie en haar possesseur q.q. tot subject 2).

1) Het was de constante lerminologie en niet maar „een enkel minder juist gekozen en gebruikt woord", zooals Mr. Verloren beweert (1. c. p. 426). Als het in zijn kraam te pas komt, hecht Mr. V. hooge waarde aan de woorden; de deductie van 1664 (waarover later) is hem juist daarom een bron van groote vreugde, omdat de Staten er in gezegd zouden hebben, dat zij eigenaars der geestelijke goederen waren.

2) Mr. Verloren (1. c. p. 422) ziet in dit „ten behoeve van" een bewijs voor het eigendomsrecht der Staten! Hij doet dit echter, gelijk hij zelf op p. 199 erkent,

Sluiten