Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

§ 3- De ter tien.

Vóór de Reformatie moesten de vicarissen betalen de kosten aan de fundatiën verbonden als ter zake van het lezen van missen etc. en die der bisschoppelijke institutie, en bovendien nog aan de geestelijke Overheid het iste jaar hunner inkomsten afstaan. Dit alles werd geschat op 1J3 van het jaarlij ksche inkomen. En om de vicarissen door de Reformatie nu niet te laten winnen, werd door de Staten een vaste uitkeering van 1/3 der vruchten ingevoerd. De continuïteit was dus niet formeel maar materieel 1).

i) Cf. J. de Fremery, De Naaldwijksche Praebenden in de St. Pancras- of Hooglandsche Kerk te Leiden, in het Archief voor Nederlandsche Kerkgeschiedenis, dl. V. afl. I. p. 25 noot I.

Dat dit de juiste verklaring is van den oorsprong der tertien, blijkt ook uit het door Mr. Verloren (1. c. pp. 256 sqq.) meegedeelde omtrent de vicarieën te Wijk bij Duurstede. De bezitters dezer vicarieën moesten natuurlijk de aan hun bezit verbonden verplichtingen van missen te lezen ol te doen lezen nakomen; de niet te Wijk wonende vicarissen betaalden daarvoor zekere som; zoo kwamen in de rekening van G. van den Robbaert over 1583/84 (geheel bij Mr. Verloren afgedrukt) de sommen voor, met aanduiding van het aantal er voor te lezen missen, hem door de vicarissen betaald. Het was na de Reformatie, zoodat er van geen werkelijk lezen der missen sprake kon zijn; toch werd, kennelijk als voortzetting van wat vóór de Reformatie placht te geschieden, de grond der betalingen genoemd. De penningen werden door den ontvanger aangewend voor de bezoldiging der predikanten. De vicarissen werden dus gequotiseerd voor een bepaald bedrag ten behoeve van den gereformeerden dienst, gelijk zij eertijds voor den ongereformeerden hadden te betalen, hetgeen natuurlijk niet zeggen wil, dat het bedrag hetzelfde bleef en dat zonder ingrijpen der Overheid de gelden geëischt hadden kunnen worden, die eertijds voor het lezen van missen besteed werden; niet formeel maar materieel waren deze quotisatiën, die later door tertiën vervangen werden, de voortzetting van het oude missengeld. Uit het door Mr. Verloren (Rapport etc. pp. 199, 200) meegedeelde valt af te leiden, dat deze quotisatiën door de Staten werden bepaald. Cf. p. 480 noot sub 3°.

Mr. Verloren (1. c. p. 419) deelt mede, dat de tertiën reeds vóór de Reformatie door de vicarissen moesten worden opgebracht (1. c. pp. 404, 457); hij verwijst daarvoor naar Mr. Koker (1. c. p. 27), die aldaar handelt over de Geldersche vicarieën; door den Gelderschen Landdag werd in 1593 een reglement op de vicarieën vastgesteld, waarbij deze tot studiebeurzen gemaakt werden; de possesseurs der vicarieën zouden slechts 2/3 der inkomsten krijgen, terwijl 1/3 bestemd werd voor den kerk- en schooldienst. „Dit derde deel", zegt Mr. K., „gewoonlijk de tertiën genoemd, was afkomstig van de instellingen der Roomsche kerk, waarbij

Sluiten