is toegevoegd aan uw favorieten.

De geestelijke en kerkelijke goederen onder het canonieke, het gereformeerde en het neutrale recht

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Na de Reformatie vind ik voor het eerst gewag gemaakt van de tertiën in art. 43 der Instructie (29 Juli 1581) ter zake van de vicarieën iuris patronatus laicalis, wier bezitters, — die studeeren moesten, — niet alle inkomsten hunner beneficia ontvangen zouden maar 1/3 ervan moesten afstaan ten behoeve der predikanten en andere kerkelijke functionarissen. Waarschijnlijk was dus de bedoeling, in de eerste plaats den predikant der kerk, waarin de vicarie gefundeerd was, ook zijn deel in de vicarie te doen hebben, hetgeen een gevolg was van de Reformatie, die de vicarissen als geestelijken deed verdwijnen, terwijl men toch de goederen, die tot onderhoud der geestelijken eener kerk bestemd waren, in hun bestemming wilde conserveeren.

Het Redressement zweeg over de tertiën; de vicarieën zouden tot predikantsbezoldiging dienen (art. 5), en, voorzoover ze iuris patronatus laicalis waren en begeven werden, zouden ze aan aanstaande predikanten, die in het op te richten seminarie zouden worden opgeleid, geconfereerd worden. Voor de heffing van tertiën ten behoeve der predikanten was in dit systeem geen plaats; het gansche inkomen der vicarieën zou hun immers ten goede komen !).

Dit stelsel hebben de Staten echter nooit uitgevoerd.

dat deel der inkomsten van de kerk en der offers van de geloovigen aan de bisschoppen werd geschonken". Blijkens de noot doelt hij op de oorspronkelijke verdeeling der kerkelijke inkomsten, die echter in den regel in vieren geschiedde: bisschop, overige geestelijkheid, kerk, armen. Deze verdeeling was evenwel anterieur aan de periode der beneficiën, in welke de vicarieën zijn ontstaan, en vormde er juist de aanleiding toe.

Het is best mogelijk, dat den Gelderschen Staten deze verdeeling uit de oudste tijden der Christelijke Kerk voor oogen gezweefd heeft — Mr. K. voert hiervoor echter geen bewijs aan —, maar de voorstelling van Mr. V., alsof de Staten eenvoudig met de heffing der tertiën in de plaats van den Bisschop traden, is, aangezien uit niets blijkt, dat de Bisschop van de beneficiën tertiën hief, de ongerijmdheid zelve.

Wel schijnt het bedrag der uitkeering (1/3) verband te hebben gehouden met den vóór-Gereformeerden tijd, en schijnen de Staten der verschillende Provinciën — ook in Holland werden tertiën geheven — de historische lijn te hebben gevolgd.

1) Ook hier blijkt dus weder, dat Mr. Verlorens meening, die de woorden „doch distinctelijk" etc. uit het heffen der tertiën verklaren wil, onjuist is. Cf. P- 473-