Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

21 Mei 1588, een commissie om te visiteeren en te resumeeren alle resoluties en ordonnanties op de Geestelijkheid en hare goederen genomen en gemaakt, speciaal die van Oct. 1586, en om in het bijzonder wat de tertiën betrof een rapport uit te brengen ook in verband met het aan den gang brengen van het seminarie !). Men ziet het, niet het jaar 1586 maar 1581 was het uitgangspunt 2).

Dat de Orde en de op haar steunende Instructie er zoo verre van af waren de geestelijke goederen te onteigenen, dat de Staten tot vervelens toe erkenden, dat dit werkelijk niet in hun bedoeling lag, heb ik reeds aangetoond. En hiermee is over de voorstelling van Mr. Verloren, dat de tertiën het deel der vicarie (= Provinciale) inkomsten waren, dat de Staten (de eigenaars) niet aan de possesseurs uitkeerden 3), de staf gebroken. Of ze dan een belasting waren? Noodzakelijk is dit niet, daar de tegenstelling: inhouding-belasting geen alternatief vormt: er is een derde mogelijkheid, dat n.1. de ontvanger der tertiën voor zijn deel zich tot de vicarieën op dezelfde wijze verhield als de possesseurs voor hun 2/3 gedeelte; wat voor hen dc acte van collatie was, was voor dien ontvanger zijn aanstelling; ni. a. w. de rentmeester der Geben. goederen was voor x/3 possesseur der vicarieën, wier tertiën hij beurde. De wijze waarop de tertiën geïnd werden, is voor de beantwoording dezer vraag van belang 4).

Op verschillende wijze had de inning plaats.

braken" beteekent nl.: op één lijn met anderen, in casu met wereldlijken, behandeld worden. Cf. het Middelnederlandsche Woordenboek van Dr. E. Verwijs en Dr. J. Verdam, i. v. „braken".

1) Reg. v. d. beschr. d. St. Beschr. v. 17 Mei 1588, punt 10.

Den 29sten Mei werden de Staten beschreven om dit rapport te hooren, punt 6; naar aanleiding ervan namen zij, 4 Juli 1588, de op p. 517 meegedeelde resolutie.

2) Cf. ook de rek. van F. v. Weede, (f. 253) waarin door hem geboekt werd het loon \ voor J. C. van Causteren, deurwaarder der Directiekamer, die naar Montfoort gezonden was, om den „vicaryen" (= vicarissen) aldaar te insinueeren, staat te leveren van het jaarlijksche inkomen hunner vicarieën en betaling te doen van „t'rechte dardendeel" van dit inkomen sedert 1580.

3) L. c. p. 419. Mr. Verlorens voorstelling is een noodwendig gevolg van zijn stelling, dat de vicariegoederen Prov. eigendom waren.

4) Cf. Mr. Verloren 1. c. p. 447.

Sluiten