Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Wat dezen erfpachtsbrief betreft, één opmerking ga vooraf; de Prins en zijne beide superintendenten der geestelijke goederen zeiden, dat zij 2/3 der vicarie in erfpacht gaven, terwijl wat zij inderdaad in erfpacht gaven, niet was de vicarie maar land der vicarie ! ipsis verbis stelden zij de vicarie gelijk met vicarieland („bestaende deselve vicarye" etc. 1).

Het was enkel een slordigheid; uit de acte in haar geheel blijkt sine ullo dubio, dat de Heer van Achttienhoven geen vicaris werd, niet met de vicarie werd begiftigd, maar enkel land ervan in erfpacht kreeg en derhalve voor den canon debiteur der vicarie werd, welke erfpacht bij wanbetaling vervallen zou, zoodat het land dan weder onbezwaard aan de vicarie kwam. Uit de resolutie der Staten van 10 Jan. 1679, waarvan de verkoop van het derde deel der vicarie het gevolg geweest

Woudenbergh, Jiossesseur AT. Junius; waartoe behoort: een erffpagt van t'sestigh gulden jaarlijcx uyt sekere landeryen in een onversuymelijken erfpagt gelaten aenden Heer Isacq Pauw, Heer van Achtienhoven, by acte van Sijne Hoogheyt de date 27 Maert 1682".

1) Deze slordigheid, vicarie en vicariegoed te vereenzelvigen, wordt door Mr. Verloren tot de waarheid in zake van het vicarierecht verklaard! Vicarieën bestonden er volgens hem niet, enkel voormalige vicariegoederen. Toch moet hij erkennen, dat de Staten niet naar deze theorie handelden maar zich „soms" gedroegen, „alsof er niets gebeurd ware en alles ging als voorheen": 1. c. p. 405. Op p. 425 verspreekt hij zich door te zeggen, dat het collateraal (de 20ste of 40ste penning, geheven bij den overgang van onroerende goederen en beneficiën) geheven werd „van het beneficie zelf, d. i. niet van de vicarie-goederen, maar van de vicarie". En er bestonden na de Reformatie geene vicarieën meer! Cf. Utr. riacaatb. I. p. 221.

Mr. Verloren zegt, dat men de bedoeling der Staten boven hunne daden en woorden moet stellen. Ik geloof niet, dat de Staten hun bedoeling niet wisten uit te drukken of dat zij vicarieraadselen wilden opgeven.

Als de collator eener vicarie zich bv. tot de Staten wendde om verlof te bekomen tot den verkoop van vicarieland en beloofde de koopsom te zullen beleggen, opdat de vicarie in wezen mocht blijven en er verbeterd door mocht worden, en de Gedep. Staten hierop dan appoincteerden: Fiat ut petitur, dan was het naar Mr. Verloren enkel hun grappigheid, die hen zich wat hunne woorden betrof met den gedachtengang van den requestrant deed conformeeren, terwijl hun bedoeling een geheel andere was; zij dachten bij hun besluit dan: gij zijt wel goed, onze belangen zoo wél te behartigen, ons land te verkoopen op een tijdstip, waarop de prijzen van landerijen hoog zijn, ons geld te beleggen, opdat het niet renteloos blijve.

Sluiten