Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

goederen, hun door Mr. Verloren toegedicht, ligt voor de hand; want een scheutigheid, als de Staten hier aan den dag legden, zou de ongerijmdheid zelve zijn, als het Provinciale domeinen betroffen had. Voorts valt er uit af te leiden, dat in den loop des tijds de vicarieën iuris patronatus laicalis in het licht waren komen te staan van aan de familie van den patroon behoorende complexen van goederen, ten opzichte waarvan men , zoo men het al deed, nog wel vast hield aan de verplichting van ze te confereeren, doch hiervan makende een bloote formaliteit, doordat de collator of een zijner naaste familieleden of kortweg zichzelven tot possesseur benoemde onder agreatie der Gedep. Staten. Wanneer men daarenboven in het oog houdt, dat het vaak de collator was, die de vicariegoederen beheerde en er over beschikte, en dat het vicarisschap een bloote sinecure geworden was, dan ligt het voor de hand, dat practisch gesproken, wanneer de Staten hun derdedeel maar kregen, er niet zoo heel veel veranderde, als de goederen van beneficiale allodiale werden tengevolge eener mortificatie i).

Ik keer thans terug tot het gezichtspunt, van hetwelk uit ik deze beide mortificaties heb behandeld, de stelling n.1., dat de Staten wat de tertiën betrof, golden voor deelgenooten in de vicarieën voor een derde gedeelte, ten bewijze waarvan ik nog op enkele andere gegevens, ontleend aan de rekening van de Geben. goederen over 174°» wijzen w''-

Vicarie te Blauwkapel (de zooeven behandelde).

„Aan den schout Swaving competeert de ongelden van de vicarye aan de Blauwe Capel, waarvan possesseur is Vrouwe Aagje Hop, weduwe en erfgename van den Heer Gerrit Meerman, tot 128—16—2, en zijn vorders voor onkosten op deselve vicarye gevallen de summa van 30 guldens 53 stuivers en dus te saamen de summa van 159—1—2, waarvan haar Ed. Mog.

1) De historie der Blauwkapelsche vicarie toont, dat de erfgenamen der douaière Meerman, en ook de Gedep. Staten, die bij het nemen hunner besluiten nog wel de voorlichting genoten van de gecommitteerden tot de geestelijke goederen en de superintendenten daarover van wege den Prins aangesteld, ook het vicarisschap als bij erfrecht overgaande beschouwden! Deze meening was waarschijnlijk een gevolg van de feitelijke samensmelting van de dualiteiten van collator en vicaris.

Sluiten