is toegevoegd aan uw favorieten.

De geestelijke en kerkelijke goederen onder het canonieke, het gereformeerde en het neutrale recht

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

dat dc Staten voor ï/3 in elke vicarie deel hadden en daarom */3 der inkomsten trokken.

Het woord „belasting" is hiermee trouwens niet in strijd. Immers zonder dwang ging dit niet; de Staten drongen zich den vicarissen op; op welken grond? op dien van hun positie als Overheid. Zij eischten dus, op grond van hun overheidsrecht, dat men hen het derde gedeelte van het netto inkomen der vicarieën zou laten volgen, en dwongen de vicarissen zich met 2/3 der vicarieïnkomsten te contenteeren, m. a. w. belastten hen met den druk der tertiën *).

Dat de Staten, of namens hen de ontvanger der Geben. goederen, voor i/3 deel hadden in de vicarieën, belette evenwel niet, dat de beschikkingshandelingen over vicariegoederen dikwijls werden verricht door den collator of den vicaris, terwijl de rol der Staten zich tot agreëeren beperkte. Hiertegenover zou men kunnen stellen, dat de Gedep. Staten vaak juist aan den collator te zamen met den rentmeester dergelijke handelingen toestonden; toch mag men hierin niet zien eenig bewijs van het deelgenootschap der Staten in de vicarieën; want ook bij de vicarieën, van welke geene tertiën geheven werden, kwam dit voor; het was dan ook enkel een toepassing van het toezicht der Staten over alle geestelijke goederen. Toch meen ik, dat de Staten ook wel eens de opvatting huldigden, dat de rentmeester der Geben. goederen bij den verkoop van vicarieland niet enkel optrad als van wege de Staten toegevoegde controleur maar ook als contrahent, als verkooper voor x/3 van de te verkoopen goederen met en naast den collator of den vicaris als verkooper voor 2/3. Het eenige exempel, dat mij hiervan onder de oogen gekomen is en dat bovendien niet geheel

1) Men zou misschien uit het feit, dat wel gesproken werd van het „heffen" der tertiën willen concludeeren ten gunste der belastingtheorie.

In het request bv. van Cors Reyerss., collator en bezitter van de O. L. Vrouwevicarie te Vreeland, waarop den iSden Sept. 1611 door de Gedep. Staten beschikt werd, sprak hij van de tertiën, die de Staten door den rentmr. van de Geben. goederen van zijn vicarie „sijn heffende". Deze conclusie ware echter onjuist. Het woord ,,heffen" werd nl. gebezigd voor het vorderen van elke verplichte praestatie, onverschillig op welken rechtsgrond het steunde. Een vei huurder „hief' bv. de huurpenningen; een vicaris „hief' de inkomsten zijner vicarie. Cf. bv. pp. 574, 575.