Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Nii houde men twee dingen wel in het oog: vooreerst, dat de Staten voor */3 deelgenooten waren in elke vicarie; en ten tweede, dat in den loop des tijds de vastigheden van bijna alle vicarieën zijn verkocht en vervangen door obligatiën, veelal ten laste der Provincie. Door deze beide feiten is er ten slotte van elke vicarie een scheiding en deeling tot stand gekomen tusschen de collators eenerzijds en de Staten andererzijds; na deze scheiding-en-deelingen trad tweeërlei gevolg in: öf de vicarieën bleven als beneficiën, tot 2/3 hunner oorspronkelijke grootte gereduceerd, in wezen, öf zij werden gemortificeerd, zoodat de collators 2/3 van het vicarievermogen met hunne overige goederen samensmolten en de Staten het andere deel ontvingen, hetwelk zij belegden of door de vingers van den rentmeester der Geben. goederen lieten glijden. Van het eerste hebben wij reeds een voorbeeld gezien in de vicarie van Woudenberg, terwijl de beide vicarieën van Kockengen en die van Blauwkapel van het tweede een illustratie vormen. Van de belegging door de Staten van lj3 der kooppenningen van verkochte vicarielanden blijkt uit de rekening over 1778, in welke de O. L. Vrouwe-vicarie te Kockengen geboekt werd met een rente van f. 20 — 3 — van wege het derde deel der koopsom van de in 1737 verkochte landerijen (ƒ. 806, 13 st.), belegd op het Eene deel der Gen. Middelen, (f. 35 vo.). Dat de vicarie nog als zoodanig in de rekening werd opgenomen, was bloot een woordenquaestie: ze bestond niet meer sedert 1736, het belegde geld was Statengeld. De kapellanie of vicarie van Driebergen werd in 1669 nog in de rekening opgenomen; als ontvangen werd geboekt ƒ. 96, zijnde de interessen van ƒ. 2400, belegd op de Gen. Middelen, „sijnde het overschotth vande cooppenningen geprocedeert vande verkofte landeryen aende voorss. pastorye behoort hebbende, alsoo de resteerende cooppenningen geëmplojeert sijn tot optimmeringe vande nieuwe kereke aldaar; ende by versterfïf vanden possesseur indertijt soo sullen die jaerlijxe rhenten blijven ten behoeve van desen

vermeld werd alleen, dat door den rentmeester ontvangen waren twee renteposten van f. 68, 16 sch. 10 p. en f. 31, 2 sch. 13 p. resp. van f. 1790 en f. 785 kapitaal, „de voorss. cappellanye competerende ende verschijnende",(ft. 159 vo. sqq.).

Sluiten