Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

comptoire gemortificeert" (ff. 15 sqq.). In 1740 kwam ze niet meer in de rekening voor; waarschijnlijk was dus ook deze f. 2400 evenals reeds vroeger het andere gedeelte van de opbrengst der landerijen verbruikt, tenzij men mocht aannemen, dat deze obligatie met andere was samengesmolten.

Ook van andere vicarieën valt het te bewijzen, dat onder hare namen in de rekening posten werden opgenomen, die niet meer tot de vicarieën zelve behoorden maar slechts de interessen waren van het na de scheiding-en-deelingen ervan aan de Staten gekomen derde deel van haar vermogen; de vicarieën verschenen dus nog slechts in naam in de rekening, terwijl ze inderdaad öf niet meer bestonden, immers gemortificeerd waren, öf als ingekrompen beneficiën voortbestonden zonder dat de rentmeester der Geben. goederen er iets meer mee had uit te staan; de obligaties, wier renten verantwoord werden, waren in den strikten zin des woords Provinciale eigendommen, zoodat de Provincie door den eenen ontvanger betaalde aan den anderen, d. i. aan zich zelve 1).

Vicarie aan den Dwarsdijk, waarvan de abdis van St. Servaas collatrix was.

In 1740 werd alleen ontvangen een uitgang, zonder vermelding dat het slechts een derde gedeelte was, (p. 10); uit de rekening over 1669 (ff. 27 sqq.) blijkt echter, dat het dit was. In 1618 werden ook nog tertiën ontvangen van landhuren (ff. 34 v°. sqq.), doch in 1669 werd vermeld, dat de landerijen 21 Mei 1657 met approbatie der Staten waren verkocht en het 1/3 der kooppenningen door den rentmeester der Geben. goederen was verantwoord 2).

Kapellanie aan de Meern.

Van deze vicarie werden in 1740 interessen ontvangen, zonder

1) Dit is ook de meening van Profr. de Geer, uitgesproken op p. 49 van zijn Rapport etc.: „Het gevolg nu van dit alles was dat het kantoor der gebeneficeerde goederen hoofdzakelijk nu zijne inkomsten uit kapitalen trok van de vicariön afkomstig, maar daarvan losgemaakt en onafhankelijk van collators en possesseurs, zoodat de boeking onder de verschillende vicariön meer een behoud van de orde en wijze van boeking dan een gevolg van den aard der inkomsten was, die voor verreweg het grootste gedeelte uit renten, betaald door andere landskantoren bestonden".

2) Cf. de Statenresolutie v. 10 Apr. 1657. Keg. no. 59. Zevende mem. etc. ff. 784 sqq.

Sluiten