Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

gaven hun agreatie als eigenaars der gebeneficieerde goederen, maar als Overheid.

Het collatierecht bleef, behoudens de wijzigingen door de Staten aangebracht, geregeld door het Canonieke recht, dat door de rechterlijke colleges in eventueele geschillen werd toegepast. Of dit niet in strijd was met de herhaaldelijk gegeven verklaring der Staten, dat het Canonieke recht ten gevolge der Reformatie zijn kracht verloren had? Het schijnt zoo. Toch houd ik dezen strijd slechts voor schijn. Men moet n.1. onderscheiden tusschen de eigenlijke kerkelijke verhoudingen en de vermogensrechtelijke. De eerste waren door de Reformatie opgeheven en konden a fortiori dus niet meer in het Canonieke recht, dat in zooverre tevens verviel, haar regeling vinden; ze werden met het recht, dat ze regelde, als strijdig met de H. Schrift aangemerkt. De tweede daarentegen bleven bestaan, j en konden, voorzoover de Staten zelve er niet eenige bepalingen voor maakten, moeielijk anders dan door het Canonieke recht beheerscht worden. De grenzen tusschen het al of niet met de H. Schrift strijdige, zijn natuurlijk niet scherp of,«wil men, in het geheel niet te trekken; maar de Staten hebben nu eenmaal deze grenzen, zij het dan willekeurig, getrokken, en hieraan valt niets te veranderen; het collatierecht werd van^ Gereformeerde zijde wel in strijd met de H. Schrift beschouwd,' doch de Staten hebben deze beschouwing niet overgenomen. Juist het feit, dat de Reformatie reformatie was, maakte de j voortdurende gelding van het Canonieke recht in de gecontineerde verhoudingen mogelijk en onmisbaar !). Of men een

van beneficiën, waardoor zij recht kregen op het uitoefenen hunner geestelijke functiën. Daar ten gevolge der Reformatie deze geestelijke functiën vervielen, was de taak van de Staten ook beperkter dan die van de geestelijke Overheid en bepaalde zij zich tot agreëeren.

1) Misschien heeft men zich in de eerste jaren der Reformatie wel voorgesteld, dat men het geheel zonder het Canonieke recht kon stellen (cf. pp. 399, 310, 311), maar dit heeft in geen geval tot een uitdrukkelijke buiten-gelding-stelling ervan geleid; met de Reformatie zelve, zoo constateerde men, was het Canonieke recht verdwenen, maar deze constateering kon slechts juist zijn, voorzoover de verhoudingen zelve, die in dit recht haar regeling vonden, ten gevolge der Reformatie verdwenen waren, terwijl voor de gecontinueerde verhoudingen de oude rechtsregels uit den

Sluiten