Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

moest voordragen, opdat deze hem, zoo hij aan de voorwaarden voor het vicarisschap voldeed, tot de possessie admitteeren kon 1). In de op pp. 314, 315 aangehaalde memorie der Edelen en Steden werd in art. 6 van de Kapittelen geeischt, dat zij zouden opgeven, welke vicarieën, beneficiën en officiën in de 5 kapittelkerken sedert de ordonnantie van 29 Juli 1580, — toen verschillende bepalingen der Orde nader waren bekrachtigd en gepreciseerd —, gevaceerd waren en aan wie zij die „vergeven" hadden; „ende zo verre die den Staeten nyet aengenaem zijn, dat zij andere daermede versien". Verzien, vergeven, confereeren werden dus gesteld tegenover de verklaring van al of niet aangenaamheid van de Staten, die hier derhalve zelve uitspraken, dat niet zij het waren, die iemand met een vicarie voorzagen 2).

Zoodoende was in 1581 de uitoefening van het patronaatrecht nader geregeld, en zijn bestaan derhalve bevestigd. Vóór de vaststelling der Instructie schijnt het niet geheel zeker te zijn geweest, of men het zou handhaven of niet 3).

Het Redressement zweeg over het collatierecht (cf. art. 5);

1) Zoo duidelijk mogelijk werd de onderscheiding: confereeren (nomineeren, presenteeren) - agreëeren of approbeeren, gemaakt in de acte van agreatie door de Staten van 8 Oct. 1591 betreffende een prebende van St. Marie. Reg. v. d. beschr. d. St. Beschr. v. 5 Oct. 1591.

2) In het algemeen staan pastorieën en vicarieën op één lijn; ook wat betreft de benoeming. Cf. het reg. v. d. beschr. d. St. Beschr. v. 3 Febr. 1589» 21 Mrt. 1589. Cf. ook de notulen der Directiekamer van 21 Apr. 1587* aan J^r» N. v. Zuylen werd bevolen binnen 8 dagen de „pastorie" te Kockengen te „confereren" aan Martinus Bachusius bv., in plaats van aan den door hem er mee begiftigde,— welke „gifte" verklaard werd „onbondich ende nyet te mogen bestaen" en daarom werd „gecasseerd ende geannulleerd", — om „geëxamineert ende ondersocht" te worden. Anders zouden de Staten zelve M. Bachusius „totde voorss. pastorie... admitteren ende daerinne. . . institueeren".

De tegenstelling: óf gij - óf wij, is zoo duidelijk mogelijk.

3) Reg. v. d. beschr. d. St. Beschr. v. 10 Febr. 1581, punt 21. De Staten handhaafden het collatierecht; de Stad had bezwaren, doch werd overstemd. Ik meen de quaestie aldus te moeten verstaan, dat de Stad art. 4 der Orde, dat de vicarieën voor de predikanten bestemde, wilde toegepast hebben, terwijl de beide voorstemmende Leden den collators meer vrijheid wilden laten, zooals dan ook in art. 43 der Instructie geschiedde; in dit licht verschijnen de tertiën als een concessie aan de Stad.

38

Sluiten