Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

zoodat het alleen te pas kwam bij de vicarieën, die binnen hun jurisdictie waren gevestigd ; over de vicarie in quaestie hadden niet de Utrechtsche maar de Geldersche Staten zeggenschap; „toevallig" waren de eerstgenoemden er collators van, omdat zij n. 1. de directie van het convent van St. Catharina, welks balijer het collatierecht ervan competeerde, aan zich getrokken hadden: en zoodoende verleenden zij agreatie op de resignatie dezer vicarie den 5den Sept. 1620, dus niet als souverein maar als collator, hetgeen ook ieder, als hij maar collator geweest was, had kunnen doen. De bron van het recht van Jhr. v. R. was de resignatie of het transport door P. L. Plessius; de Staten, hier als collator, keurden deze goed. Zoodat uit dit voorbeeld klaar is, dat de bron van het vicarisschap was öf een benoeming door den collator öf een transport door den vicaris (behoudens agreatie door den collator), terwijl in beide gevallen de souverein van den lande de handeling had goed te keuren, opdat er geene voorschriften van recht of algemeen belang door gekrenkt werden. Benoemd werden de vicarissen alleen dan door de Staten, als het collatierecht ervan hun toekwam x); anders werden zij alleen door de Staten geagreëerd. Dat een vicaris, op wiens benoeming geen agreatie verleend werd, niet bevoegd was tot het bezit der vicarie, spreekt van zelf; deze bevoegdheid had tweeërlei grond, de collatie en de agreatie, die beide onmisbaar waren.

Dat de collatie een uitoefening van eigendomsrecht zou zijn, zooals Mr. Verloren meent 2), wordt voorts weerlegd door het Regeeringsreglement van 16 Apr. 1674» tot welks behandeling ik thans overga: „Ordre ende Reglement waernaer de Regeringe

1) Dan alleen „beschikten" de Staten over een vicarie; anders deed de collator zulks. Cf. p. 578: „wederomme sal staen tot dispositie vande Heeren Staten". Cf. p. 575: F. van Beeck zeide in zijn request om collatie, dat de vicarie gevaceerd was en dus „gedevolveerd" op de Staten, „omme daermede te mogen versien ende beneficieren dient UE. goetduncken ende believen sall".

2) L. c. pp. 420, 452, 453, 458 sqq. Als „eigenlijke" collator beschouwt hij n.L de Staten: de collatoren hadden slechts het recht aan de Staten personen voor te dragen, die dan van dezen het recht kregen op 2/3 der inkomsten uit zeker Provinciale (voormalige vicarie-)goederen. Het collatierecht noemt hij een op die goederen rustenden last. Onjuister kan het al niet.

Sluiten