Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

parochiekerken, en strikt genomen ook die, wier collatie toekwam aan abten of priors of andere autoriteiten van kloosters, en aan regenten van gasthuizen, etc.; toch sprak het Regeeringsreglement, ter uitvoering van welks voorschriften Dr. Gentman benoemd was, van deze alle niet, maar alleen van de vicarieën, wier collatie competeerde aan de vijf Utrechtsche Kapittelen en

hunne prelaten x).

In zijn instructie werden bepalingen gegeven ter verdere

uitvoering.

Geen resignatie der bedoelde vicarieën mocht meer plaats hebben; zij moesten uitsterven, en zoodra ze door het overlijden der bezitters kwamen open te vallen, zouden ze „vervallen ten profijte van het comptoir"; eventueele resignaties gedaan na 16 Apr. 1674 werden als niet geschied aangemerkt, zoodat de vorige possesseurs in het bezit ervan bleven. De secretaris van de Staten zou, opdat het voorzeide „redres te beter geschieden mocht, aan den rentmeester der 1'ieuze zaken een lijst overleggen der vicarieën, die met „aggreatie" der Staten geresigneerd waren. (art. 5).

Zoodra een vicaris kwam te overlijden, zou het volle inkomen der vicarie aan het kantoor der Pieuze zaken betaald moeten worden, zonder dat het kapittel of iemand anders er iets van mocht inhouden, behoudens het recht van de weduwe van den vicaris op een jaar van gratie, (art. 6).

Eveneens zou „vervallen ten profijte van het comptoir het „gedeelte van het inkoomen vande altariste- en comparantegoederen", dat de overleden vicaris genoot, (art. 7).

Ook zouden „vervallen ten profijte van 't comptoir, omdat deselve sonder resignatie verstorven waren", de vicarieën, die

I) In het register no. 3582 (Stadsarch. Utr.) werden echter alleen opgesomd de vicarieën, die ter collatie van de prelaten der Kapittelen stonden, wat de Stad Utrecht betrof; de enkele plattelandsche vicarieën werden opgegeven, zonder dat er bij gemeld werd in wiens plaats de Stadhouder trad; misschien waren het vicarieën, wier begeving, op welken grond dan ook aan de Staten gekomen, door hen van ouds den Stadhouders gegeven werd, zoodat Dr. Gentman te dezen opzichte in zijn notificatie wel buiten de bepalingen van het Reglement van 1674 ging maar niet buiten de van elders opkomende bevoegdheden van den Stadhouder. Cf. pp. 610, 611.

Sluiten