Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

huyr off erfifpacht tc helpen uytgeven sondcr ons preallabel voorweeten ende consent"; den rentmeesters van Oostbroek, St. Catharina, St. Paulus, de Karthuizers, de Gebeneficieerde goederen, St. Jan en Maria Magdalena te Wijk , en St. Agniete te Rhenen werd gelast hen in hun taak te erkennen en te gehoorzamen.

In 1678 bestond het kantoor der Pieuze zaken nog alleen op het papier; den 25«ten Juli 1678 gaf de Stadhouder daarom een nadere commissie op zijne beide superintendenten i).

Den 25^ Juli 1678 bevalen de Staten aan de Kapittelen zich hiernaar te gedragen 2). Den 24^ September daaraanvolgende verzochten zij den Domdeken de dekens of de vicedekens der Kapittelen samen te roepen en er voor te zorgen, dat de Kapittelen gehoorzaamden, en droegen zij aan de Gedep. Staten op de nalatigen er toe te dwingen 3).

De Kapittelen verzochten (3 Dec. 1678) aan de Staten om niet gedwongen te worden de instructie van Dr. Gentman na te leven, en dat de Staten hen in hun aan den Stadhouder in tc dienen supplicatie wilden steunen *); waarop door de Staten, 5 Dec.,

1) „Alsoo bevonden word, dat Adriaen Gentman, Rentmeester vande vicaryen in de Provintie van Utrecht, tot noch toe door deese ende geene difficulteyten op den voet van de provisionele instructie aen hem gegheven het Comptoir van de pieuse saecken nyet en heeft konnen formeren", en mitsdien geen verdeeling der inkomsten ervan alsnog had kunnen geschieden, „tot merckelijck naedeel van veele eerlijcke ende behouftige in- ende opgesetenen der voorss. Provintie , gelastte hij den „Surintendenten voor de alsoo genaemde geestelijcke goederen om „met reciproque communicatie van de Heeren Gedeputeerde Staten s'Landts van Utrecht de „capittelen, collegiën van vicarisen ende haere rentmeesters, mitsgaders alle andere possesseurs van vicaryen" aan te manen en te verplichten, zonder uitstel aan den rentmeester der Pieuze zaken over te brengen en bekend te maken alle onder hen behoorende vicarieën, vaceerende en gepossideerde; voorts werden zij gemachtigd, om voortaan „te ontfangen alle versoecken van resignatiën, ende in onsen naem de approbatiën daer over te verleenen op de wijze „ende onder soodanige requisiten soo wel ten aensien van de resignanten als van de geresigneetde als voorheen door de Gedep. Staten gedaan werd, waarvan zij telkens den Stadhouder hadden kennis te geven. Quohier 1674, f. 30.

2) Sc. betreffende „den aenbrengh ende administratie der vicaryen aen de vijff Collegiën behoorende", en „de resignatie der prebenden vande gemelte Collegiën". Quohier 1674, f. 31.

3) Quohier 1674 f. 31 vo.

4) Quohier 1674 f. 32.

Sluiten