Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

collatie van den Stadhouder: in den Dom, 2; in de Mariekerk, 1; in de Buurkerk, 1; te Wijk, 2 (gefundeerd op St. Aachtenaltaar), en nog 4 andere (waarvan één zonder altaar); te Kamerik, de O. L. V.-vicarie; te Woudenberg, 1; te Driebergen , een die aan Hendrik Emontse, zilverbevvaarder van zijn Excellentie, geconfereerd was; te Lopik, een vicarie op O. L. V.-altaar1); te Abcoude, 2 (van O. L. Vrouwe2) en St. Nicolaas); een vicarie der elfduizend Maagden in het convent van St. Catharina te Utrecht; een vicarie S'1. Spiritus in het gasthuis te Rhenen; en een in de kerk ter Eem. Voorts de kapittelgoederen van Wijk, en de vier prebenden van ter Horst 3).

Reeds vóór het Reglement van 1674 had de Stadhouder derhalve van verschillende beneficiën de begeving. Het Reglement breidde de bevoegdheden van den Stadhouder op dit stuk uit; toch kwamen er in de lijst van 1628 beneficiën voor, die in de opgaven van het register van 1685 ontbraken. De bedoeling, die bij de samenstelling van het Regeeringsreglement voorzat, was blijkbaar om de collatie van alle vicarieën, niet iuris patronatus laicalis zijnde, in de gansche Provincie en ook elders voorzoover ze den Staten toekwam (men denke aan de vicarie te Wiel) aan den Stadhouder op te dragen; de notificatie van Dr. Gentman (cf. p. 601) zeide het zoo duidelijk mogelijk. Vóór 1674 hadden de Kapittelen te Utrecht zich in hunne collatierechten weten te handhaven, zoodat de vicarissen bij voortduring door hen benoemd waren; wat de overige vicarieën in de Stad Utrecht gefundeerd betrof, de Staten hadden met deze zich niet ingelaten4): aan den Raad lieten zij het over te dezen opzichte bepalingen te maken, die dit ook deed, altijd voorzoover men van het bestaan eener vicarie kennis

1) In de rekening van F. v. Weede over 1586/88 werden 2 vicarieën te Lopik vermeld; in die van 161S en latere jaren werd er over gezwegen.

2) Van deze vicarie werd door F. van Weede aangeteekend, dat ze ter collatie van den „Heere vanden Lande" stond, 1. c. f. 37 vo.

3) F. van Weede teekende van deze vier prebenden reeds aan, dat het collatie recht ervan den „Stadthouder" toekwam.

4) Cf. p. 602.

Sluiten