Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

kwaden finantieelen toestand, waarin de Provincie zich bevond, besloten, „dat voortaen alle de praelatuerschappen ende de commanduryen van St. Catharine, met den gevolge van dien, geene uytgesondert ende sonder onderscheyt of deselve tusschen de respective Leden zijn gere-artieert of nyet", zouden „sijn ende ten eeuwigen dage blijven gemortificeert", terwijl het inkomen ervan, zoodra ze kwamen te vaceeren, „ten profijte van het gemeene Land" zou komen en ontvangen en verantwoord zou worden door „de rentemeesters van de Gebeneficieerde goederen ende St. Catharine respective" *).

Reeds vroeger, 5 Sept. 1622, was een ordonnantie door de Staten gearresteerd, volgens welke in oorlogstijd met de collatie van „prelatuerschappen, proostdyen, commanduriën, thesauriën" en „scholasteriën" na het ontstaan eener vacature zes jaren gewacht moest worden (zesjarige carentie) 2), gedurende welken tijd de inkomsten ervan „by t'Lant" zouden worden „genoten ende geprofiteert", „tot verval vande oorlogslasten ende soulagement vande gemeente" 3).

In deze resolutie werd niet tevens bepaald, welke ontvanger na het ontstaan eener zoodanige vacature het opengevallen benefice beheeren moest en de inkomsten ervan trekken. In concretis stond dit derhalve te bepalen; de resolutie van 1 o Dec. 1658 wees den rentmeester der Geben. goederen aan, om de zesjarige carentiën te ontvangen 4).

1) Reg. v. d. resol. d. St.

2) Bepaald werd, dat men ze „noch bij resignatie noch by andere absolute dispositie confereren, nochte aen andere persoonen vergeven" zou.

3) Reg. v. d. beschr. d. St. Beschr. v. 3 Sept. 1622.

4) Vóór 1622 kwamen dergelijke tijdelijke niet-begevingen ook reeds voor; bij besluit van 16 Mrt. 1614 bepaalden de Staten n.1., dat de tot het Domkapittel behoorende proosdij van Leiden, die door het overlijden van Jhr. J. v. Matenesse, „Deken en kanunnik ten Dom", opengevallen was, voorloopig niet geconfereerd zou worden, en dat „ten eynde de goederen, behoorende tot de Proostdye van Leyden", „nyet verdonckert nochte gedistraheert" zouden worden, het beheer ervan gevoerd zou worden door S. C. v. Blanckendael, „Rentmeester vande geestelijcke goederen", „tot subsidie vande middelen daer vuyt de predicanten gealimenteert ende geloont worden, daeraen men jaerlicx veele te cort compt", totdat de Staten er weder een kanunnik van den Dom mede begiftigen zouden. Reg. v. comm., instr. etc., aanv. Dec. 1611, f. 235.

Cf. ook den erfpachtsbrief d.d. 29 Oct. 1613, waarbij door de Staten aan Jhr. J.

Sluiten