Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

was dit uiterlijk niet meer te zien en had het den schijn, alsof de Provincie aan zich zelve rente betaalde; dit laatste was voor een deel ook het geval, maar niet in het algemeen zooals Mr. Verloren meent.

HOOFDSTUK VII.

De kloosters.

§ i. De jurisdictie van den Utrec/itschen Raad en die van de Provinciale Staten.

Ten aanzien van de kloosters en hunne goederen gaat de onderscheiding tusschen de Steden en het platte land niet, zooals bij de reeds behandelde geestelijke goederen, in alle opzichten door. Men dient ze ook hier in het oog te houden, doch met haar als eenigen maatstaf kan niet ter uiteenzetting der rechtspositie van de conventen en hunne goederen gewerkt worden, zóó dat men stedelijke en plattelands-kloosters tegenover elkaar kan stellen in rechtens relevanten zin.

Ten aanzien der eerstgenoemde bepaal ik mij tot de Stad Utrecht, in hoofdzaak althans.

Den 3den Febr. 1578 — de religie was gelijk men weet nog ongereformeerd en in de vermogensrechtelijke verhoudingen was a fortiori nog geenerlei wijziging aangebracht — werd door den Raad bepaald, dat „in alle monickecloosteren van dese Stadt" „by naem ende toenaem" zouden worden geregistreerd „alle die religieusen ende conventualen", die er zich in bevonden , en verboden, dat dit aantal zou worden vermeerderd of verminderd zonder „kennisse" van den Raad J): een maatregel, door den Raad als Stedelijke Overheid in het belang van orde en rust genomen 2).

1) Vroedsch. resol.

2) „Alzoe de Raet enig • wairschuwinge gecregen heeft van datter grote verraderiën gesticht worden deur de monicken, die van dene Stadt in dandere versonden worden", etc. Cf. p. 209 noot I.

Sluiten