Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

op het beheer was het eenige, dat zij zich vindiceerden !). Wat de mannenconventen betrof, met uitzondering van het Duitsche Huis en het convent van St. Cathrijne werden zij slechts negatief gereformeerd: het specifiek Roomsche werd uit hunne muren verbannen, doch geene nieuwe of gewijzigde verplichtingen werden hun opgelegd; alleen de Heeren van het Duitsche Huis en de Johanniters werden in de nieuwe orde van zaken opgenomen als landsverdedigers.

Van de kloosters van St. Paulus, de Karthuizers, Oostbroek en de Reguliers werd in art. 13 alleen bepaald, dat zij tot kanunnikencolleges zouden worden hervormd, dat de abten en priors proosten zouden worden, en de overige ambtsdragers eveneens andere titels zouden ontvangen, dat de kloosterlingen bij elkander zouden blijven, en dat de Staten de prebenden om beurten zouden begeven. Indirect volgt hieruit wellicht, dat ook deze kloosters positief ongeveer in denzelfden trant gereformeerd werden als die van St. Catharina en het Duitsche Huis, daar zij immers tot kanunnikencolleges werden gemaakt en aan de kanunniken in art. 3 de verplichting opgelegd was het Land als juristen of krijgslieden te dienen (cf. art 24). Van andere mannenkloosters werd gezwegen, behalve van het Regulierenklooster te Amersfoort, dat met het kapittel van St. Joris aldaar zou worden samengesmolten (art. 23).

De vrouwenkloosters werden uitdrukkelijk gehandhaafd en gereformeerd; de artt. 15—20 regelden de vijf adellijke kloosters te Utrecht, en art. 21 verklaarde omtrent de begijnenconventen, dat ze in statu quo bleven, behoudens... de religie en het habijt; terwijl art. 25 omtrent de kloosters te Rhenen en Wijk bepaalde, dat zij tot corporaties van canonissen zouden worden gereformeerd , deels uit adellijke deels uit burger-meisjes samen te stellen.

Men herinnere zich de nadrukkelijke verklaringen van de Staten, dat zij niets anders bedoelden dan conservatie en reformatie van de geestelijke goederen en men leze de artikelen der Orde, die de kloosters betreffen, en, zoo dan iets uitgesloten is, dan is het wel de meening, dat de kloosters door de Reformatie met één slag opgeheven en dat hunne goederen,

1) Cf. de artt. 2, 8, 11, 12 en 22 der Orde.

Sluiten