Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

En zoo is geschied; het klooster zelf dient hierdoor als opgeheven te worden aangemerkt 1).

Het Weeshuis was dus per universitatem opgevolgd in de vermogensrechtelijke verhoudingen van het Regulierenklooster, krachtens beschikking der Overheid.

Ook dit klooster verdween derhalve vrij spoedig na het verbod van de Roomsche religie, niet krachtens dit verbod maar tengevolge van een speciaal daartoe strekkend besluit 2).

Ook het klooster der Karmelieters of Vrouwebroeders werd niet lang na de reformatie der religie opgeheven.

1) Cf. de Vroedsch. resol., 12 Dec. 1602: goedkeuring werd verleend op de aflossing en afkooping door J. v. Westrenen van een erfpacht, „die het convent vande Regulieren binnen dese Stadt ende nu het Weeshuys alhier als het recht hebbende vant voorss. convent jaerlicx hadden" uit 3'/» morgen land te Bunnik.

2) Een soortgelijke handelwijze werd gevolgd ten aanzien van het klooster Mariënhof te Amersfoort; dit klooster werd w. i. w. niet opgeheven zooals dat der Utrechtsche Reguliers, maar evenals van dit werden zijne inkomsten aangewezen tot de weezenverzorging, althans gedeeltelijk. Amersfoort liet door hare gecommitteerden ter Statenvergadering meedeelen, dat aldaar „onlancx met seer cleyne middelen aengevangen" was het „arme weeshuys", in dier voege, dat zijne inkomsten voornamelijk uit de opbrengsten van bedelarij en handenarbeid der weezen gevonden moesten worden; reeds vroeger had de Regeering van Amersfoort den Regenten van het Weeshuis hoop gegeven, „omme by het vuytsterven van eenige der conventen aldaer dselve met alsulcken convent ende goederen vandien te begiftigen", opdat de opvoeding der kinderen verbeterd mocht worden en zij ook konden leeren lezen, schrijven „ende diergelijcke consten"; daarop was ook rijpelijk gelet „int oprichten vant accoordt nopende die directie vande geestelijcke goederen" te Amersfoort; nu was „onlanx" de laatste conventuaal van Mariënhof dezer wereld overleden, „openende Godt hemluyden daermede een open wech, omme totte vruchten vande lange verwachte ende gegeven hope te comen"; „int invoeren vande Gereformeerde religie binnen Amersfoort", zoo werd verder te kennen gegeven, was „door faulte van andere middelen den eenen predicant tot sijn stipendium opde goederen van de L. Vrouwen-capelle geassigneert", „dwelcke tot noch toe dienvolgende daer vuyt betaelt is", tot groote schade van het „edificium, als toorn, kerck ende aencleven vandien", dat niet hersteld kon worden, daar het inkomen der kapel niet boven de f. 1500 liep, terwijl de uitgaven het dubbele bedroegen, zoodat telkens goederen verkocht moesten worden, hetgeen niet vol was te houden, en het staken harer betalingen „groote opspraeck" zou verwekken , daar zij ook gehouden was eiken Zondag aan 60 arme lieden provens uit te deelen.

Om deze redenen werd den Staten verzocht ten behoeve van het Weeshuis en van de kapel van O. L. Vrouwe, „om Godts wille" aan de Stad het voorzegde convent met zijne goederen te gunnen, verklarende de Stad ook tevreden te wezen

Sluiten