Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

adellijke kloosters ook samengevoegd worden, doch bij de eindredactie werden ze in twee gedeelten onder twee rentmeesters gesplitst, terwijl enkele maanden later hierop weer werd teruggekomen en toch een massa ervan gemaakt werd. Hieruit blijkt, dat het alleen het beheer betrof en niet het eigendomsrecht; ware dit het geval geweest, dan zouden de Staten bij de vaststelling van het Redressement zich het eigendomsrecht der goederen van de Jufferenconventen niet hebben toegekend, maar wel in December van hetzelfde jaar, zouden zij eerst van die kloosters twee nieuwe rechtssubjecten gemaakt hebben en eenige maanden later deze te hunnen bate weder hebben vernietigd, en zouden zij nog later, toen de administratie wederom gesplitst werd, al weder hun eigendomsrecht hebben laten varen en nieuwe lichamen gesticht hebben!

Ten slotte zij nog opgemerkt, dat er in de separatie der conventualen op zich zelve toch onmogelijk een opheffing dei kloosters kan gezien worden in rechtens relevanten zin, als rechtssubject bleven zij bestaan, al was het woord klooster er sedert een oneigenaardige naam voor; doch dit is slechts een woordenquaestie; het Redressement zelf bepaalde dan ook omtrent de begijnenconventen, de adellijke conventen, het Duitsche Huis en St. Catharina, dat zij bij voortduring zouden worden aangevuld.

Een enkel woord nog over de verdeeling der kloosters onder de leden van de Staten. Reeds zeide ik, dat voor deze verdeeling een strikt door te voeren beginsel niet aangewezen kan worden; evenmin valt er een spoor te ontdekken van eenige transactie tusschen de Statenleden, waarbij de zwarigheden, die de competentiestrijd omtrent de regeling van de Geestelijkheid en hare goederen baarde, opgelost werden i). De Steden eischten voor zich op, niet dat zij binnen haar jurisdictie geheel de evenknie zijn zouden van de Staten ten platten lande dit had een principieele versnippering van het gewest Utrecht beteekend! — maar dat haar de regeling en de administratie der binnen haar gebied gevestigde geestelijke stichtingen en corporaties zou worden overgelaten, zonder dat zij het recht

I) Cf. pp. 276, 277, 328—340. 522. 629. 632, 644, 645, 646.

Sluiten