is toegevoegd aan uw favorieten.

De geestelijke en kerkelijke goederen onder het canonieke, het gereformeerde en het neutrale recht

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Tevens verboden de Gedep. Staten den i3<len Oct. 1602 aan de commandeurs en conventualen der Orde, om zonder voorkennis der Staten een nieuwen balijer te verkiezen.

Deze wendden zich tot de Staten om dit verbod opgeheven te krijgen, doch den 8sten Febr. 1603 werd op hun verzoek afwijzend beschikt *). Daarop riepen zij de hulp in van den Meester van Duitschland, door wien twee commandeurs gecommitteerd werden om bij Prins Maurits, de Staten van Utrecht en den Raad van Utrecht te bewerken, dat de „commandurye by haer voorgaende ende wel onderhoude vryheden ende gerechticheden vredelijck onderhouden ende gelaten magh worden", de commanderie te visiteeren en „onder onse navolgende ratificatie" de electie van een nieuwen commandeur te bewerkstelligen2). Ook deze poging gaf geen resultaat: den 28sten Oct. 1603 verklaarden de Gedep. Staten, dat zij niets aan de zaak konden veranderen2). Een nieuwe balijer is nooit benoemd; H. Barck was de laatste.

Tot de administratie der conventsgoederen benoemden de Staten sedert alleen een rentmeester, die rechtstreeks onder hen stond 3).

meedeelt, onder aanhalingsteekens en gedeeltelijk in 17de ecuwsche bewoordingen, is — de lezing ervan zou liet niet doen vermoeden — een vrije navolging van het oorspronkelijke; zoo is wat Dr. B. als den inhoud van art. I geeft inderdaad de samenvoeging van verschillende artikelen.

De instructie van 1611 was, behoudens enkele verschilpunten van geringe beteekenis in de keuze der woorden, gelijk aan die van 1603.

0 ^eg- v- d. beschr. d. St. Beschr. v. 23 Nov. 1602, punt 18. '

„Is de leste resolulie vande ordinaris Gedeputeerden gecontinueert tot naerder ordonnancie".

„Ende is by den Staten verstaen, dat den Prior geene prebenden noch commandeeryen sal mogen geven".

2) Rijksarch. Utr., Suppl. Gedr. Inv. no. 871.

Vóór de Reformatie had de balijerskeuze ook reeds moeielijkheden gebaard. De Hertogin van Parma had H. Barck doen weten, dat hij op zijn electie op drie voorwaarden brieven van placet en agreatie van den Koning kon krijgen.

Hierop had hij een bezwaarschrift ingezonden, waarin hij een overzicht gaf van de rechten en plichten der Utrechtsche Balije en zich o. a. beriep op een pauselijke bul van 1472, waarbij vrije electie van Jen balijer was toegestaan. Cf. p. 659.

Inv. v. d. arch. der kap. en kl., no. 230. Cf. Dr. Brondgeest, 1. c. bijl. VI.

3) Den isten Mrt. 1611 benoemden de Staten, in de plaats van J. Saell, Peter