Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

in eenig rechtstreeksch verband stond met dc Reformatie. Wat dit laatste betreft, men herinnere zich de bepalingen der Orde, die enkel een zeker toezicht van de Staten kende, en de nietarresteering van art. 16 van het Redressement, terwijl men vooral dient in het oog te houden, dat de commandeurs der Orde van St. Jan bij voortduring werden vervangen en in het beheer hunner commanderiegoederen bleven, terwijl het alleen de balijer van het klooster te Utrecht was, die geen opvolger meer ontving, hetgeen, zoo er in de Reformatie zelve eenig beginsel had gescholen, dat zich tegen de benoeming van een balijer verzette, niet verstaanbaar ware, daar de Reformatie evenveel, of juister: evenweinig, met den balijer als met de commandeurs uitstaande had.

Uit deze feiten springt al terstond in het oog — de conclusie is eenvoudig genoeg! —, dat de Staten in den aanvang der 17de eeuw de administratie, de regeering van het St. Cathari naconvent aan zich hebben getrokken, en niets meer.

Door het niet doen vervullen van het ambt van balijer of commandeur van het convent te Utrecht — dit was de voornaamste wijziging door de Staten in de balije van Utrecht aangebracht — traden de Staten in de plaats van dezen commandeur en oefenden zij de rechten uit aan den balijer q. q. toekomende; dit blijkt b.v. uit de resolutie der Gedep. Staten van 17 Apr. 1635, waarbij zij de kapellevicarie in de kapel te Wiel confereerden aan het „jonxken van goeder hope" van Ds. Schomantius, als collatoren dezer vicarie in de plaats van den balijer van St. Catharina !).

Het besluit van het jaar 1602, niet de Orde of het Redressement, is voor de Utrechtsche Balije der Malthezer orde het keerpunt in haar rechtspositie. In 1580 (cf. p. 291) hadden de Staten nog uitdrukkelijk verklaard geen verbreking van het Ordeverband te beoogen; dat het hiertoe evenwel komen moest, viel reeds af te leiden uit hun toen gemaakte opmerking, dat de Spanjaarden en hunne „adherenten" (waaronder de Paus) evenzeer als de Turken vijanden der ware Christelijke religie waren, een opvatting, die door de Duitsche Orde en die van

1) Cf. p. 595.

Sluiten