Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

De Staten dan overwogen, dat zij w. i. w. van hunne handelingen aan niemand rekenschap verschuldigd waren, maar dat zij toch, „om alle de wereld te disabuseren , tegen soodanige blasmen ende calanges ende met eenen uyt overvloet te justificeren hare dispositie over de voorss. goederen mettet gene daeraen dependeert", bij monde van hunne gecommitteerden ter Staten-Generaal aldaar hun goed recht wilden uiteenzetten, „onder protestatie nochtans van daer mede de judicature over dese sake aen welgemelte hare Hoo. [Mo.] niet te willen defereren, als [dewelcke] de Generaliteyt niet en is rakende maer de Provinciën int particulier".

De posita der Malthezers dan waren, „dat deselve goederen geheelijck souden wesen ingelijft met ende aen het corpus, stoel, fundatie en Ordre van Maltha ende den Oversten Meester of den Groot-Prior van Duytsland ende aen derselver gouvernement in eygendom toebehorigh" waren, dat zij door hun Orde „voor eenige eeuwen" „geacquireert" waren „door fundatiën , contracten onder den levenden of door testamenten ende uytterste willen van de fundateurs, alles met onereuse titulen ende onder een eeuwige verbintenisse vande wapenen te moeten voeren tegens de algemeene vyanden vande Christelijcke religie". Hiervan, merkten de Staten op, werd geen bewijs bijgebracht, hetgeen toch plicht geweest ware, „in plaetse dat deselve haer soecken te behelpen met eenige sub- ende obreptive appoincten t'anderen tijden van dese of die Provincie ofte oock van hare Hoo. Mo. nu ende dan door importune sollicitatiën ende andere wegen by eenige derselver ministers uytgewerekt". Zonder deze exhibitie rekenden de Staten zich niet gehouden, „sigh ergens over met deselve in te laten, als mid-

de resolutie der Staten Generaal van I Juli 1581 omvatte niet de goederen der Malthezers (6de inz.),

de soms door de Staten-Generaal verleende belastingvrijheid van commanderiegoederen, o. a. ten aanzien der commanderie van Brake, 19 October 1611 (7de inz.), de goederen kon de Orde niet missen, om haar hospitaliteit te oefenen, den krijg te voeren en hare ridders te beloonen (8ste inz.),

de vriendschap der Orde was van groote waarde (9de inz.),

het vredestractaat van 1648 eischte restitutie aan allen, wier goederen hun ter zake van den oorlog ontnomen waren (10de inz.).

Rijksarch. Utr. Gedr. inv. 110. 223.

Sluiten