Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

als hoedanig zij in de eerste plaats te zorgen hadden , dat de ad pios usus gefundeerde goederen niet door de pauselijke superstitiën in hun werkelijk pieuze bestemming werden belemmerd, en ten tweede, dat er geene personen voordeel van trokken, die den wasdom der ware Christelijke kerk in den weg stonden.

En hoe beschreven de Staten nu het werk van hunne voorgangers in den aanvang der Reformatie? Zij verwezen kennelijk naar de Unie van Utrecht: de „vrije dispositie" hadden zij zich toegekend als Landsoverheid — wij weten reeds, dat dit niet op eenig eigendomsrecht doelde —, en van deze hadden zij velerlei toepassingen gegeven ; gedeeltelijk hadden zij ze „in Rei publicae aerarium" gebracht en het algemeene belang er mee gediend, gedeeltelijk hadden zij ze „sub priscis noniinibus" in wezen gelaten behoudens secularisatie of verwereldlijking en zuivering „ab omni spiritualitate pontificia" — immers de Canonieke scheiding tusschen geestelijken en leeken, geestelijk recht en wereldlijk recht, geestelijke en wereldlijke goederen was met de interdictie der Roomsche religie vervallen — en de op deze wijze verwereldlijkte beneficia begeven, veelal om aristocratische families te helpen in haar stand te blijven. De zoo juist geciteerde passage is het, die Mr. Verloren uit de deductie overneemt en die hem de ontboezeming van p. 414 uitlokte, en de nadere formuleering deed geven: „Er blijkt dus, dat er door de Staten niet alleen verandering was gebracht in de bestemming der goederen, maar ook bovendien in den eigendom der goederen". „De Staten zeggen zeer duidelijk, dat die goederen in Reipublicae aerarium zijn gevloeid" x). Minstens zeven zegelen zaten er op de deductie, toen Mr. V. ze las. De Staten zeiden niet, dat de geestelijke goederen in de Staatskas waren gebracht, zij zeiden slechts, dat er geestelijke goederen waren, die dit lot getroffen had; wie op deze wijze behandeld waren, waren niet dezelfde als die sub priscis noniinibus waren geconserveerd! integendeel; „sub priscis noniinibus duidde aan, dat formeel — en dit is het alleen waar het

1) Pp. 414, 4:5.

Sluiten