Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

goederen ondert gebiet vande Provinciën gelegen wederom te mogen acnvaerden, bcsitten ende gebruycken, achtervolgende de Pacificatie van Gent ende d'Unie van Utrecht".

Hiertegen merkten de Staten op, dat te willen volhouden, dat de Malthezers geene geestelijken waren, inderdaad niets anders was dan „willens ende wetens de naeckte waerheyd te willen tegenspreken". In Utrecht waren de Heeren van St. Catharina dan ook steeds als zoodanig beschouwd en behandeld ; „alle de fameuste paepsche scribenten" dachten er evenzoo over. Hun regel was die van den H. Augustinus; de drie geloften moesten door hen worden afgelegd; over hunne goederen, zelfs hunne patrimonieele, mochten zij bij contract noch testament beschikken; zij waren ook niet admissibel tot familicfideicommissen, „idque propter vota quae emittunt et quod vere sunt ecclesiastici et religiosi"; ook erfden zij niet ab intestato; evenmin konden zij opvolgen in majoraten en leenen; aan de wereldlijke jurisdictie waren zij onttrokken, terwijl zij alle privilegiën der geestelijken genoten !); hunne kinderen golden „niet simpelijck voor bastaerden, maer pro nefariis et moestuosis", „quia triplici se maximo scelere polluisse dicuntur, adulterio , incestu et sacrilegio".

Uit hun geestelijke karakter als religiosi regulares nu volgde „met eenen, dat oock [alle] hare goederen sonder onderscheyt moeten geoordeelt worden te wesen ende inderdaet waren vande selve natuyre ende conditie, t'welck oock bovendien infallibelijck af te nemen was niet alleen uyt de giften ende fundatiën derselver maer specialijck mede uyttet votum paupertatis als waer-

i) Cf. het besluit der Staten-Generaal van 19 Nov. 1611 en hun missive van 23 Juni 1612 betreffende de commanderie van Brake.

De Staten overwogen, dat de goederen der commandeurs van Malta altijd en overal van belasting waren vrijgesteld geweest, o. a. door Karei V, waarom zij bevalen, dat ten opzichte der commanderie van Brake deze toestand zou bestendigd blijven. Reg. v. d. beschr. d. St. v. 5 Aug. 1623 tot 18 Mrt. 1625, f. 219.

Toch schijnen de goederen van St. Catharina in Utrecht niet vrij van belasting te zijn geweest; cf. de volgende passage uit de op p. 652 (noot 2) aangehaalde remonstrantie aan de Hertogin van Parma: „Ende daertoe noch draghen die ordinaris lasten, die op den goederen vanden Lande van Vuytrecht tot noch toe vuytgeset zijn geweest, als van oudtschiltgheldt ende andere Lantsoncosten, daervan zy geen vryheyt ghenooten hebben meer dan andere wertlicke persoonen".

Sluiten