Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

klooster!) hadden de Staten de bevoegdheid vrijelijk over zijne goederen en inkomsten te beschikken; de rechtshandelingen

l) Deze qualiteit was het, die den Heer N. v. Royen zich tot hen met een remonstrantie deed wenden, waarin hij te kennen gaf, dat zijn huis aan de Nieuwstraat grensde aan het Cathrijnekerkhof; dat dit ten gevolge der reparatie van de kerk vol „puym ende ruyehten" lag, zoodat zijn kelder vol liep als het regende; „dat oock het kerekhoff deur de puym ende andere vuylicheyt vande jongens ende meysjens, die haer gevoegh daerop zijn doende, twelck onder de predicatien ende gebeden groote stanck causeert" „tot groot ongeriefT vande gene, die tot stichtinge van Godts Woord te hoo.-en aldaer ter kereke comen"; waarom hij om redres van dit euvel verzocht.

En in deze qualiteit beschikten de Gedep. St. er op, dat de muur aan de straat afgebroken en het plein geplaveid en met boomen bepoot zou worden: 28 Aug. 1657.

Reg. no. 59. Zevende mem. etc. ff. 801 sqq.

De Raad van Utrecht erkende dit o. a., toen hij verklaarde, dat het ter bevoegdheid van de Staten stond en niet te zijner competentie, om Fransche komedianten in het convent van St. Catharina te laten spelen. Vroedsch. resol., 22 Apr. 1619.

En in deze qualiteit was het, dat de Staten (15 Aug. 1620) bepaalden, dat de interessen der ten behoeve der Generaliteit tegen 5% op te nemen/. 40000 door den ontvanger der Generale Middelen, betaald zouden worden uit het tractement van den overleden „Prior vande Balyerye ende convente van S. Cathrynen tUtrecht", B. v. Schoonhoven (ƒ 1200). B. v. Schoonhoven was de laatste prior.

Over de bron der overige /. 800 was men het niet eens: de Gefiligeerden wilden ze eveneens vinden uit het inkomen der Balijerie; de Ridderschap stelde voor ook deze „te vijnden wt de middelen vande conventen ende geestelijcke goederen, daervan mijne Ileeren de Staten sijn hebbende dadministratie; het derde Lid stelde voor ze te betalen uit „de goederen ende t'innecomen vande commandurye tot Weerden althans vacerende door toverlijden vanden voorn. Heer Prior".

„Ende", zoo volgt er ten slotte, „is goetgevonden, datmen dit sal secreet houden, ten eynde nyemant swaricheyt maecke penningen op interesse aen tLandt te geven".

Reg. v. d. beschr. d. St. beginnende 20 Juli 1619, f. 259. Cf. de Vroedsch. resol. 21 Aug. 1620.

En zoo beschikten de Gedcp. St., 31 Mrt. 1612, ten behoeve van den rentmr. Vuyten Bogaert over de gebouwen van het convent, door hem toe te staan een gedeelte ervan, waar A. v. Vreeswijck, commandeur van Buren placht te huizen, die thans evenals de andere commandeurs in zijn commanderie resideerde, te gaan bewor.en.

En den isden Oct. 1612 werd aan W. v. Nyhoff, commandeur te Oudewater, door de Gedep. St. vergund het gebruik van de kamer etc. in het convent, „die Heer Andries Schimmelpenninck za. mitter doot geruymt heeft", in plaats zijner vorige kamer, op voorwaarde, dat „dewijle de suppliant hem somtijdts int weywerek exerceert", hij daardoor niemand „wettige redenen van schandaell ofte opspraecke" zou geven, noch den Prior last of schade berokkenen door zijne honden. W. v. Nyhoff verzocht erom, daar het huis te Oudewater was gedemolieerd en hij als „een mede-lidtmaet vanden convente van Ste. Cathrynen" wel aanspraak op een woning had. Reg. v. comm., instr. etc., aanv. Dec. 1611, ff. 27 vo., 69 vo.

Sluiten