Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

In hun resolutie van 27 Febr. 1668 kwamen de Staten op deze repartitie gedeeltelijk terug; de commanderieën van St. Catharina, besloten zij met het oog op den geldnood der Irovincie, zouden „ten eeuwigen daege blijven gemortificecrt" en haar inkomen zou, zoodra ze openvielen, „ten profijte van het gemeyne Land komen en ontvangen worden door den rentmeester van St. Catharina 1); uitdrukkelijk verklaarden zij echter, dat „de praebendens vant voorn, convent van Catarine, die de drye respective Leden van Staten ter somme van 1600 gulden jaerlijx yder zijn toegevought", er niet onder begrepen waren en dat deze zouden „zijn ende blijven ten behouve vande selve Leden" 2).

Deze mortificatie betrof ook de prelatuurschappen der Kapittelen , waarvan de ontvangst door den rentmeester der Geben. goederen zou geschieden; zoodat reeds uit dit feit blijkt, dat dit besluit der Staten niet te verklaren is uit eenig eigendomsrecht der commanderiegoederen maar uit hun souvereiniteit, en ten duidelijkste ook hier weer in het licht treedt, dat de commanderiegoederen nooit waren onteigend, maar steeds gebleven waren wat ze altijd waren geweest, n.1. gebeneficieerde goederen.

Op dit besluit zijn de Staten eveneens weer teruggekomen^): noch de prelatuurschappen noch de commanderieën zijn bij hun vacature aan het verkeer onttrokken; de begeving der commanderieën en prebenden van St. Catharina kwam ten gevolge van het Regeeringsreglcment van 1674 aan den Stadhouder. Onder mortificatie moet men verstaan het besluit tot niet meer begeving van een benefice, meer niet; ook kan er

dienden dan ook den Ssten Mei daartegen een protest in: „De Steden van Amersfoort, Rhenen, Wijck ende Montfoort, regardt nemende dat het convent oft Balyerye van St. Catharynen is Provinciael ende niet specialijck tot het recht vande Stadt Utrecht behorende; dat oock de goederen daertoe specterende in verscheyden Quartieren alomme gelegen ende eensdeels by gifte van ingesetenen der respective Steden daer aen geeomen sijn, verstaen datmen in desen in plaetse vande Stadt Utrecht alomme moet stellen het derde Lith, protesterende, ingevalle sulx niet en geschiedt, van nullité ende onwettelijcke usurpatie". Op dit protest werd geen acht geslagen.

1) Cf. p. 618.

2) Reg. v. d. resol. d. St.

3) Cf. de Vroedsch. resol., 16 Aug. 1706.

Sluiten