Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

de opheffing van het benefice en daaruit volgende verplaatsing van het eigendomssubject der er toe behoorende goederen mee bedoeld zijn. Wat met een bepaalde mortificatie bedoeld werd, moet in concretis blijken; in casu was dit laatste m. i. niet de strekking van het besluit; immers, zoo in de uitgesproken mortificatie een opheffing der bedoelde beneficia gelegen had, behoudens de opschorting ervan tot de vaceering, dan ware een besluit noodig geweest om de beneficia weder opnieuw te stichten; hiervan nu is mij niets gebleken: de Staten gingen eenvoudig door met de begeving of lieten er mede doorgaan alsof er niets gebeurd ware; hetgeen verklaarbaar is uit de opvatting, dat de beneficia door de mortificatie niet waren opgeheven maar dat alleen de begeving ervan voor goed was beëindigd, gelijk de resolutie van 5 Sept. 1622, die ook voor de commanderieën van St. Catharina gold, de begeving voor een bepaalden tijd na de vacature verbood !).

Wat de commanderieën van St. Catharina betreft, de Staten — het is ons reeds gebleken — beperkten zich te haren opzichte tot het aan zich trekken van de collatie ervan en het regelen van de jaren van carentie. De commandeurs beheerden zelve hunne commanderieën in persoon of door rentmeesters; bij uitzondering benoemden de Staten er afzonderlijke rentmeesters van in geval van vacaturen, welke benoemingen evenwel slechts tijdelijke strekking hadden, n.1. totdat weer een nieuwe commandeur was aangesteld 2).

1) Cf. p. 618.

2) Cf. bv. in het reg. v. comm., instr. etc., aanv. Jan- 1607, f. 219 en m dat> aanv. Dec. 1611, ff. 162 en 233 de rentmeestersbenoemingen voor de vaceerende commanderieën van Ingen, Oudewater en Harmeien, d.d. 4 Juli 1611, 9 Juli l6l3 en 16 Mrt. 1614. Dr. Brondgeest (1. c. pp. 31, 32, 47) deelt ten onrechte mede, dat de goederen der commanderieën door de Staten werden beheerd.

Dat de commandeurs, en niet de Staten, de commanderiegoederen beheerden, blijkt u. a. uit de resolutie der Gedep. St. van 14 Dec. 1604 en die der Staten van 4 Juli 1611 en 24 Sept. 1612. Regs. v. comm., instr. etc., aanv. Jan. 1601, f. 255 vo., aanv. Jan. 1607, f. 218 vo., en aanv. Dec. 1611, ff. 98 vo. sqq.

Bij de eerste werd den commandeur van Ingen toegestaan geld op te nemen „tot laste vande voorss. commandurie tot Ingen" en „opt crediet vande Balyerie alhier binnen Utrecht". De commandeur bezwaarde dus zijn commanderie, en het convent van St. Cathryne was er borg voor.

Bij de tweede werd den commandeur van Ingen toegestaan land „vande voor-

Sluiten