is toegevoegd aan uw favorieten.

De geestelijke en kerkelijke goederen onder het canonieke, het gereformeerde en het neutrale recht

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

ervan te gelde gemaakt, om in hun geldnood te voorzien; zij zorgden er voor, dat er rentebrieven op de Provincie in de plaats der verkochte vastigheden werden gesteld x). Deze correcte handelwijze werd echter niet altijd gevolgd; de omstandigheid dat van het klooster van St. Catharina het beheer en de controle in één hand waren en nog wel in die van den Souverein, was van noodlottigen invloed; in 1699 toch sloegen de Staten na de laatste verkooping van onroerende goederen van het convent, die slechts weinige ervan niet had omvat, den weg in van subsidieering, om den rentmeester ervan in staat te stellen zijne uitgaven te bestrijden 2). Dit was de ondergang

behoorende afzonderlijke lichamen waren, zooals o. a. in het volgende uitkomt.

De vader van den commandeur van Harmeien, Jhr. D. v. Eek, wendde zich tot de Staten met een verzoekschrift, waarin hij te kennen gaf, dat door P. Bogaert, rentmr. van St. Catharina, in zijn rekening over 1619 als ontvangen geboekt was de pacht van 6 morgen land, die echter niet door dezen was geïnd maar door hem, requestrant; ze hadden n.1. „weleertijts aende Balyerye van St. Catharynen behoort", doch, „vermits ten tijde van Heer Henrick ter Hooch die commandurye door den oorloch ende andersins zeer verloopen was in schulden", zoo waren ze „by Heer Henrick Berck, Balyer inder tijt, tot behouff vande voorss. commandurye gelaten ende gegeven"; de vorige commandeur had de pacht ervan dan ook genoten; de rentmr. van St. Catharina eischte nu echter van den requestrant de betaling der geïnde pachtsom.

Jhr. v. Eek verzocht daarom ongemoeid te worden gelaten, te meer daar de commanderie toch al zwaar belast was, o. a. met een uitkeering van/. 114, „tot stuer vanden oorloch", als behoorende tot de „cleyne clergie".

Den 25sten Mei 1621 beschikten de Gedep. St.: „consenteren ende ordonneren' den rentmr. Wttenbogaert „ende anderen vanden convente van Ste. Catherina inder tijt" zich niet met dit land in te laten, behoudens de invordering der reeds in rekening gebrachte pacht over 1619.

Reg. no. 59. Tweede mem. etc., ff. 239 sqq.

1) Cf. de resolutie van 1 Nov. 1636 op p. 676. Een ander voorbeeld levert de commanderie van Wemeldingen, waarvan de Staten landerijen hadden doen verkoopen; de Gedep. St. gelastten, 26 Mrt. 1635, ter uitvoering der Statenresolutie van 27 Jan. 1635, waarbij tot belegging der gelden besloten was „tot laste ende t'onderpandt vande Generale Middelen sLandts van Utrecht", den ontvanger dier middelen, J. v. Asch v. Wijck, „omme ten behouve ende prouffijte vandegemeene commandurye van Wemelingen ende possesseurs derselver inder tijt", het geld tegen den i6en penning op losrente te ontvangen — de rentmeester van St. Catharina had het hem reeds uitbetaald —, en rentebrieven ervan op te maken „ten behouve ende proffijte der gemelte commandurye van Wemelingen ende possesseurs derselver inder tijt". Reg. no. 59. Vijfde mem. etc. ff. 154 sqq.

2) Cf. Dr. Brondgeest, 1. c. pp. 51, 52 > 53-