Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

van het klooster, daar de Staten zoodoende niet vroegen waarop het convent recht had, maar wat het rnodig had , waardoor de vraag geschoven werd op het terrein der doelmatigheid en de betaling dezer subsidie, zoowel wat de vraag of er uitgekeerd zou worden als hoeveel er zou worden uitgekeerd, afhankelijk werd van tal van overwegingen, die aan haar continuiteit niet bevorderlijk waren. Den igden jujj kenden de Staten aan het kantoor van St. Catharina een subsidie toe van ƒ. 7570 l), te betalen door den ontvanger van het Eene deel der Generale Middelen; deze som werd bepaald, gehoord het rapport van een commissie uit de Staten, die had „gevisiteert ende geëxamineert den staat van ontfang ende uytgaaff' o. a. van het kantoor van St. Catharina, een staat der verkochte landerijen had opgemaakt en van „wat daarbij is geprofiteert en van hetgeen het kantoor door de gezegde verkooping kwam te missen, en geadviseerd had, in hoeverre het behoorde „gededommageert te worden door een jaarlijxe subsidie" 2). Een „billijke schadeloosstelling" noemt Dr. Brondgeest deze uitkeering 3); het zij zoo, al komt mij deze uitdrukking niet gelukkig voor. Wat de Staten gedaan hadden, was het ontnemen aan een stichting van een deel harer goederen, om de opbrengst van den verkoop ervan in de Provinciale kas te doen vloeien, een handeling, waartoe hun de bevoegdheid moeielijk betwist kon worden: als Overheid van den Lande konden zij stichtingen opheffen of van bestemming doen veranderen, en ook haar vermogen besnoeien, in casu te gemakkelijker daar zij tegelijk administrateurs van het convent waren, even-

1) In 1770 bedroeg de subsidie slechts/ 3000, uit het kantoor van St. Paulus ; blijkens de rekening over 1770, f. 24.

Inv. v. d. arch. d. kap. en kl., no. 238.

2) Reg. v. resol. d. St.

3) L' C. p. 53. Dr. lirondgeest schijnt hier vergeten te zijn, dat hij op p. 29 het „eigendomsrecht" der goederen door het convent had doen verliezen; aan wie waren de Staten dan wel die „billijke schadeloosstelling" schuldig? Aan zichzelven? De woorden van p. 29 zullen wel niet ernstig gemeend zijn, want op p. 52 luidt het zeer juist: „Zij [sc. de Staten] zagen echter spoedig in, dat nu zij de stichtingen van hunne inkomsten beroofd hadden door de rentegevende goederen te verkoopen", etc.

Sluiten