Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

behoeve der schulddelging, zonder dit bij verlating van het convent terug te krijgen; overigens behielden zij haar recht op terugneming van wat zij in de conventen gebracht hadden of hadden overgespaard, uitgezonderd het boven genoemde.

Art. 22. „Alle tvvelcke stadt grijpen zall ter tijt toe dat byde Staeten vanden Lande van Utrecht anders geordonneert zall zijn".

Dit was de nadere uitwerking van de in de Orde bedoelde ïeformatie; ingrijpend, van juridisch standpunt, was zij dus niet; toezicht op het beheer door de Staten of hunne Gedeputeerden en op de begeving der plaatsen in de conventen door de Ridderschap, hierin school de belangrijkste door de Staten ingevoerde nieuwigheid, behoudens natuurlijk het voor allen en alles geldende verbod van al wat specifiek Roomsch was i).

Reeds terstond werd hun recht van toezicht door de Staten gehandhaafd; zoo werd den I2<ien jan. 15S2 de Directiekamer door de Staten gemachtigd om „die vanden convente" van Mariëndaal te „assisteren" om eenig land van haar klooster te verkoopen, „zoe verre zy geen geit op renten en connen becommen" 2).

Als superintendenten over alle geestelijke goederen konden de Staten ook zelve het initiatief nemen tot den verkoop van die goederen, als zij zulks om welke redenen dan ook gewenscht achtten. Zoo besloten zij den io^en Mrt. 1585 te doen afbreken het „clooster mitsgaders die kereke ende den toorn" van Vrouweklooster 3) „tot prouffijte van mijn Vrouwe dabdisse ende die gemeene joncfrouwen vant voorss. clooster ende tot aflossinghe ende betalinge van haerluyder schulden", onder de bepaling dat zij de Stad Ltrecht de baksteen daarvan komende zouden laten volgen voor f. 2 de duizend, zoo de Stad zulks begeerde; en opdat de afbraak zoo spoedig en ordelijk mogelijk zou geschieden , benoemden de Staten daartoe een commissie 4).

1) Dit verbod gold, wat deze kloosters betreft, alleen op het papier.

2) Reg. v. d. beschr. d. St. Beschr. v. 11 Jan. 1582, punt 26.

3) De juffers hadden reeds in 1584 haar klooster verlaten en woonden binnen Utrecht. Reg. v. d. beschr. d. St. Beschr. v. n Juni 1584, punt 4.

4) Reg. v. d. beschr. d. St. Besehr. v. 5 Mrt. 1585.

Dit besluit laat zich echter ook gereedelijk verklaren uit hun Overheidsbevoegdheid tot het nemen van de op strategische gronden noodig geachte maatregelen.

Sluiten