Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Dat het hier in elk geval geen toepassing van eenig eigendomsrecht der Staten was, wordt ten overvloede aangetoond door het feit, dat om redenen van defensie door de burgerhoplieden aan den Utrechtschen Raad de afbraak van dit convent verzocht was, doch dat door hem de zaak aan de Staten geremitteerd was, op grond dat het klooster niet binnen de „jurisdictie'' van den Raad maar van de Staten gelegen was. En ook door de resolutie der Staten van 13 Mrt. van hetzelfde jaar,— bij welke naar aanleiding van een bezwaarschrift der abdis bepaald werd, dat zij zich in de onderhavige quaestie te wenden had tot de den io^n Mrt. gecommitteerden, om ingelicht te worden omtrent de strekking van het besluit van dien datum „cnde door zaken vandien", en om verder met hen te overleggen, hoe de zaak „ten meesten prouffijte ende tot minsten quetsinge ende lesie vanden voorss. convente geregeld kon worden—, wordt getoond, dat er van geen eigendomsrecht der Staten quaestie was. Bepaald werd voorts, dat niet zouden worden gesloopt de kerk en de toren, om er soldaten in te leggen, benevens het heerenhuis en het bouwhuis i).

Ook aan de uitvoering van andere voorschriften van de Orde en de instructie voor deze conventen werd de hand gehouden.

Zoo beslisten de Staten, 21 Nov. 1582, een geschil tusschen de abdis en de gemeene conventualen van Oudwijk eenerzijds en een van deze, Jkvr. van Asperen van \uyren, andererzijds, deze was n.1. buiten het klooster gaan wonen (wellicht wegens huwelijk; cf. art. 19 der instructie voor de jonkvrouwenkloosters) en maakte desniettegenstaande aanspraak op het genot van accidentalia, welke de abdis haar weigerde uit te keeren, in welke weigering de Directiekamer haar gelijk had gegeven, de Raad van Utrecht had zich echter ook met de zaak bemoeid en Jkvr. van Asperen in het gelijk gesteld; de abdis wendde

I) Reg. v. d. beschr. d. St. Iieschr. v. 5 Mrt. 15^5•

Cf. voorts aangaande den verkoop der materialen van Vrouweklooster en Mariendaal het reg. v. d. beschr. d. St. Beschr. v. 16 Mrt. en v. 27 Mei 1586, punt 4.

Cf. ook de beschr. v. 24 Febr. 1586: aan het Vrouweklooster werd vergund „by advijse" der Directiekamer het opgaande eikenhout om het klooster te verkoopen „ten meesten oirbaer ende prouffijte vanden voorss. convente ende namentlick tot aflossinge van zeeckere jaerlicxe renthen, die zy schuldich zijn'.

Sluiten