Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

derschap en dc Stad Utrecht werd gehandeld, zonder dat vermeld werd dat men tot eenig ander resultaat kwam dan dat de Ridderschap in December 1586 toegaf, dat niet twee, maar één rentmeester over de vijf conventen zou worden benoemd 1). Wanneer men nu in het oog houdt, dat alleen van deze twee punten, de separatie en de rentmeestersbenoeming, geconstateerd wordt, dat er een definitief besluit over werd genomen, en tevens, dat bij alle voorgaande artikelen uitdrukkelijk aangeteekend staat tot welk resultaat de beraadslagingen leidden, dan zal men tot de slotsom moeten komen, dat de overige bepalingen van art. 14 niet gearresteerd werden en dus zonder bindende kracht bleven; tenzij natuurlijk van het tegendeel mocht blijken.

Het ontwerp ging van de veronderstelling uit, dat niet meer de conventen zelve de keuze van conventualen zouden hebben onder agreatie der Ridderschap, gelijk tot nog toe rechtens geweest was, en bepaalde, dat de Ridderschap een nominatie aan den Stadhouder zou opmaken als er een plaats open viel; de Stad Utrecht wilde, dat zij en de Ridderschap om beurten deze nominatie zouden doen, hetgeen echter door de Edelen beslist werd afgeslagen, als zijnde geheel in strijd met het geldende recht, „daerby die Ridderschap alleen die nominatie toebekent es". Dit laatste is vreemd, daar, zooals ons gebleken

1) Den 28sten Oct. werd door de Ridderschap gestemd op Antonis van Drielenburch en op Volcken Both resp. over Oudwijk en Wittevrouwen, en over de drie andere kloosters.

De Stad wilde maar één rentmr.; „de andere Staten" (dus het Eerste Lid ook) wilden er evenwel twee, bij provisie. Cf. p. 708.

In elk geval was dus bij de vaststelling van het Redressement geen sprake van een in één massa brengen.

In December conformeerde de Ridderschap zich echter met de Stad, en liet zij V. Both schieten.

Een definitieve benoeming van A. v. Drielenburch tot rentmr. over de 5 conventen heeft echter niet plaats gehad; zij zijn dus niet in één massa gebracht.

Uit het in noot 4 op p. 708 meegedeelde blijkt, dat zoowel v. Drielenburch als Both geweigerd hadden hun benoeming te aanvaarden, en dat in 1588 zoowel de Ridderschap als de Stad weer tot het stelsel van twee rentmrs. waren bekeerd, en tevens dat vóór 158S het beheer der conventen niet door rentmrs. der Staten werd gevoerd.

Sluiten