Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Haar benoemingsrecht der conventualen hield de Ridderschap ook vast; den 18den Dec. 1589 besloot zij, dat voortaan om de prebenden der jufferenconventen zou geloot worden, behoudens de eerste drie vaceerende die reeds vergeven waren 1).

Den Staten kwam het toe, als hun zulks goed dacht, zelve een prebende te confereren, daar aan hen de Ridderschap haar recht ontleende; zoo verklaarden de Staten, 8 Mrt. 1597, te „confereren aan Jkvr. Anna Daverly, op aanbeveling van de Prinses Douairière van Oranje en den Hertog van Bouillon, „eene plaetse ende prebende inden convente vanden Dael, nu binnen Utrecht, mits dat de voorss. Joffrouwe Anna gehouden sall zijn haer te reguleren naede ordonnantie vande Staten de canonissenprebenden aengaende gemaeckt ende noch te maecken, versouckende daeromme ende dies nyettemin ordonnerende by desen die Vrouwe ende gemeene joffrouwen vanden convente voorss., die voorss. Joffrouwe Anna aldair te ontfangen ende met behoorlick verblijff te accommoderen mitsgaders haer te gedogen ende admitteren int gebruyek van allen eeren, nutschappen ende prouffijten tot de voorss. prebende behoorende"

V an een strenge, gedwongen separatie was nog altijd geen sprake; althans in 159° rees weer de oude quaestie, of de uit

„aggreatie" op de door haar gedane „electie" tot abdis van Jkvr. Walbarch Bor van Amerongen; den 29sten Aug. van dat jaar verklaarden de Staten te „approberen d electie" en „die persoon vande joncfrouwe Walburch Bor van Amerongen hemluyden aengenaem te wesen".

1) Reg. v. d. beschr. d. St. Beschr. v. 9 Oct. 1589.

Tevens besloot de Ridderschap, dat alle prebenden, „die inde tour vande Ridschap voortaen sullen mogen vaceren", tusschen hare leden verloot zouden worden; wien het lot toeviel, mocht daarna niet meer mee loten en was gehouden de prebende gratis „wech te schencken aen een Edelmanssoone daer van die vader ofte moeder riddermatich sijnde in het Sticht van Utrecht geboren es, gequalificeert om het Landt te dienen volgende die ordonnantiën gemaect ende noch te maecken", zonder „eenige propijn, gifte ofte gave" er voor te ontvangen, op straffe van nietigheid zoowel der begeving als der voorafgegane loting.

Dit doelde op de kanunniksprebenden der 5 Kapittelen.

Of de handelwijze, waarvan bij het Redressement sprake was — dat n.1. de Ridderschap in geval eener vacature 3 jonkvrouwen nomineerde, waaruit de Stadhouder één koos, terwijl de beide andere een exspectatief op de 2 eerstvolgende vaceerende prebenden kregen — gevolgd werd, weet ik niet.

2) Reg. v. d. beschr. d. St. Beschr. v. 8 Mrt. 1597.

Sluiten