Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

klooster vroeger in het andere later, opgebroken *), hoewel zij nog vele jaren in dezelfde huizen hare kamers hadden, en zoodoende van een separatie in den strikten zin des woords niets inkwam 2), hetgeen trouwens met het oog op het door de Staten in Juli 1588 ingenomen standpunt niet te verwonderen was 3).

In den aanvang der 17 de eeuw werden de Juffers zelve ook nog erkend als rechtens de representanten harer conventen4).

Abdis en conventualen traden bv. voor het klooster op bij den afkoop van een erfpacht van 7 Mrt. 16025), in een beleening van 12 Mei 1602 6), in een verkoop van 9 Aug. 1603 7),

Ridderschap hadden) den I4den Febr. 1606 door de Gedep. St. vastgesteld en den I5den Jan. 1607 door de Ridderschap (die bovendien het bedrag der accidentalia bepaalde). Reg. v. comm., instr. etc., aanv. Jan. 1607, ff. 19 vo en 9.

1) De conventualen van Oudwijk hadden zelve reeds vóór 1586, geheel ongedwongen, haar gemeen huishouden beeïndigd, hetgeen wellicht verband hield met het afbranden van haar klooster in 1584. Immers, terwijl de rekening over 1576 gewaagde van belangrijke aankoopen van vette ossen, boter, bier en inslagen op de markt, kwamen deze in die over 1586 (die over de jaren 1577—1585 zijn weg) niet meer voor, maar werd integendeel geboekt: „Joffrouweprovens gedeilt aen vier termijnen, ende dit achtervolgende de ordonnantie by mijne E. Vrouwe ende Joffrauwen ten overstaen van eenige dees convents frinden daertoe geroupen, provisionelicken beraempt". Deze vrijwillige separatie toont helder, dat in de separatie van een klooster op zich zelve nooit de opheffing ervan als rechtssubject gezien mag worden. Cf. de betreffende rekeningen in het Rijksarch. te Utrecht.

2) Cf. p. 710.

3) Cf. p. 711.

4) Cf. p. 716.

5) Abdis en conventualen van Wittevrouwen verklaarden te consenteeren „opt behagen" der Staten in de aflossing van een erfpacht. Van medewerking der Ridderschap bleek niet. Reg. no. 59. Memoriaal etc. f. 94.

6) In den leenbrief verklaarde N. v. Zuylen v. Draeckenborch, „Stadthouder vanden leenhove der abdye van St. Pauwels tUtrecht", dat voor hem en eenige leenmannen van St. Paulus verschenen was L. Canther met het verzoek „van wegen ende vuyten naeme des eerweerdiger ende geestelijcker joffrouwen Susanna van Ratingen, abdisse, ende gemeen convente van Outwijck buyten der Stadt Utrecht", beleend te worden met 12 morgen lands; de beleening geschiedde „tot # behouff des weerdiger ende geestelijcker joffrouwen, abdisse ende gemeen convente", onder de bepaling, dat het convent na zijn dood een ander in zijn plaats zou stellen, „behoudelijck altijt de voorss. abdye ende een yegelijck zijns rechts". Rijksarch. Utr.; Oudwijk, 12 Mei 1602.

7) Abdis en conventualen van Vrouweklooster verkochten „voor haer selven ende haere naecomelingen" „opt behaegen" der Staten „den vryen eygendom van een

Sluiten