Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

het aantal der conventualen in verband met de draagkracht der goederen x).

De conventen zouden geregeld worden aangevuld; art. 31 der Instructie bepaalde, dat geene begijnen mochten worden aangenomen zonder consent van de betreffende Stedelijke Regeering.

Behoudens het oppertoezicht der Staten -') stonden deze kloosters dus onder het gezag van den Raad 3).

Aldus was de stand van zaken, toen in Oct. 1586 het Redressement tot stand kwam. De administratie hunner goederen zou evenals aan de overige kloosters ook aan de begijnenconventen worden ontnomen, opdat voortaan den conventualen door de rentmeesters hare alimentatiën zouden worden uitbetaald; over alle begijnenconventen samen werd J. v. d. Meer tot rentmeester genomineerd; ze zouden gesepareerd worden-4), behoudens clementie ten opzichte der ouden ende zwakken, die in een of twee conventen ondergebracht zouden worden en aan wie het Evangelie moest worden gepredikt; de Magistraat zou de „nominatie" hebben van de meisjes, die de vaceerende plaatsen zouden innemen om een „handtwerck" te leeren, volgens de daarvan gemaakte of te maken instructie, terwijl hij eveneens zou bepalen of de prebenden door huwelijk al of niet verloren gingen.

In substantie kwam deze regeling (artt. 12, 13, 15) dus op

religie moest aan de paters der begijnenconventen de weet worden gedaan ze binnen 3 dagen te verlaten en niet meer met de begijnen te converseeren, op straffe van uit de Stad te worden gezet; 19 Juni 1582: „ex superabundanti" werd besloten nog eens in alle kloosters de uitoefening van den Roomschen dienst te doen verbieden; 4 Mei 1583: aan alle kloosters werd verboden „in huer conventen ende bedrive" vergaderingen te houden „anders dan [van] huer eygen volck", op arbitrale correctie; 8 Jan. 1593: de conventen, die nog den Roomschen dienst uitoefenden, moesten hunne sleutels den Magistraat leveren, opdat de Officier „int corpus vant convent vry acces" mocht hebben en ze kon visiteeren, op boete van f. 12. Den 2lsten Mei 1610 klaagde de kerkeraad nog over „affgoderyen" in de conventen en sabbathsschennis, en verzocht hij reformatie der misbruiken.

1) Cf. art. 28 der Instructie.

2) In 1582 diende de Raad een ontwerp van regeling der „vrouwecloosters" bij de Staten in. Reg. v. d. beschr. d. St. Beschr. v. 21 Juni 1582, punt. 5.

3) Cf. nog de Vroedsch. resol., 23 Apr. 1583 (cf. p. 416).

4) Art. 15 droeg de separatie van het Bagijnhof uitdrukkelijk aan de Stad Utrecht op.

Sluiten