Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

hetzelfde neer als die der 5 jufferenconventen, behoudens de vervanging der Ridderschap door de Stedelijke overheden.

Van deze onder-één-administratie-brenging is niets gekomen ; wel blijkt de gemelde rentmeester pogingen te hebben aangewend om de hem opgedragen taak uit te voeren, maar vrij spoedig na zijn aanstelling kwam hij op zijn aanvaarding terug en vroeg hij om belooning voor zijn moeite !). Toen den 25sten Oct. 1588 na de schorsing der Directiekamer haren ontvangers gelast werd rekening en verantwoording te doen, werd J. v. d. Meer niet genoemd, en evenmin werd van een opvolger gewag gemaakt.

De in één massa brenging door het Redressement voorgeschreven is dus niet ten uitvoer gelegd.

De Staten hebben zich aan de administratie der bagijnenconventen niet meer gelegen laten liggen; èn het beheer èn de regeling van de bestemming der goederen is aan de Stedelijke overheden gebleven: de bagijnenkloosters waren Stadsconventen 2). Slechts bij hooge uitzondering vond ik, dat de Staten

1) Cf. de Vroedsch. resol., n Dec. 1587: „Om opt behagen vande Staten by andere gedeputeerden vande Staten te accorderen met Jan van der Meer, gecommitteert geweest sijnde tot den ontfanck vande bagijnecloosteren etc., twelck hy begeert te laten, mits sijnde gerecompenseert van sijn moeiten ende costen, sijn gecommitteert..[niet ingevuld].

2) Te recht wordt door Mr. Acquoy (1. c. pp. 345, 346, 349), — die ook van een vervallen aan de Landsoverheid der geestelijke goederen door de Reformatie niets weet, — de beteekenis der Orde van 1580 beperkt tot een bloot toezicht en die van het Redressement van 1586 tot administratie; en eveneens wordt door hem de invloed van dit laatste als bloot tijdelijk opgevat (tot 1588, toen de Directiekamer werd opgeheven), terwijl zelfs het Redressement ten opzichte der bagijnenconventen nooit is uitgevoerd, daar de Directiekamer, gelijk reeds sedert 15S0, het nimmer verder heeft kunnen brengen dan tot de controle der Orde zonder zelve in het beheer te kunnen treden; het Redressement wordt dan ook door hem als van onwaarde beschouwd voor de beoordeeling van het rechtskarakter der bagijnencon venten.

Terloops zij opgemerkt, dat naar de doctrine van Mr. Verloren, die door de Utrechtsche Rechtbank in haar vonnis d.d. 11 Mei 1887, Wb. 110. 542I> werd overgenomen, de bagijnencon venten door het Redressement van 1586 zijn opgeheven en hunne goederen vervallen zijn aan de Provincie. Het Hof vernietigde het vonnis, doch op een hier niet ter zake doenden grond: 4 Jan. 1889, Wb. no. 5694. Later hoop ik nog op het vonnis der Rb. terug te komen.

Bij de behandeling van het Redressement is ons reeds gebleken, dat de strekking ervan niet was een toeeigening der geestelijke goederen maar een ontneming van het beheer; voorts zij opgemerkt, dat het voor de bagijnenkloosters nooit is

Sluiten